Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-05
ECLI:NL:RBDHA:2024:23525
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,828 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/8470
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [land van herkomst] , eiser
(gemachtigde: mr. M.A.L. van de Glind),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. M.M. van Asperen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om overbrenging naar Nederland.
1.1.
Verweerder heeft dit verzoek met het besluit van 1 maart 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 november 2023 is verweerder bij de afwijzing van het verzoek om overbrenging gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2024 op zitting behandeld. De rechtbank heeft gelijktijdig met deze zaak ook de zaken SGR 23/7302, SGR 23/7130 en SGR 23/7209 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (via een telefoonverbinding), de gemachtigde van eiser, K. Wali als tolk en de gemachtigde van verweerder vergezeld door [naam] .
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser stelt als bewaker te hebben gewerkt voor de Nederlandse strijdkrachten in Afghanistan tussen 2006 en 2010. Op 9 oktober 2021 heeft eiser verweerder verzocht om hem en zijn gezin over te brengen naar Nederland.
2.1.
Verweerder heeft het verzoek van eiser afgewezen omdat eiser volgens verweerder niet voor overbrenging in aanmerking komt. Eiser is tijdens de evacuatiefase niet opgeroepen om naar het vliegveld te komen. Ook valt eiser niet onder de groepen die in de Kamerbrief van 11 oktober 2021 (de Kamerbrief) zijn genoemd en behoort hij niet tot de afgebakende groep Afghanen waarvan de gegevens op 11 oktober 2021 bij het ministerie van Defensie bekend waren.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Verweerder heeft in het primaire besluit erkend dat eiser heeft gewerkt als bewaker van de Afghan Security Guard (ASG). Eiser voldoet dus aan de voorwaarden voor overbrenging naar Nederland.
In de tweede plaats heeft eiser met een ASG-trainingscertificaat, een ASG-identiteitskaart, een groepsfoto van alle ASG-bewakers en een verklaring van de toenmalige kampcommandant voldoende aannemelijk gemaakt dat hij in de betreffende periode heeft gewerkt als ASG-bewaker. Verweerder heeft deze informatie onvoldoende gemotiveerd terzijde geschoven. Dit klemt te meer nu verweerder tegelijkertijd de identiteitsgegevens van eiser en daarmee zijn geboortedatum wel geloofwaardig vindt, terwijl juist alle reden bestaat om aan de juistheid hiervan te twijfelen. Anders dan in de meeste westerse landen wordt in Afghanistan aan het opgeven van de juiste geboortedatum namelijk geen groot belang toegekend. Vaak bevat een Afghaanse identiteitskaart (hierna: Tazkera) dan ook een schatting van de leeftijd van de houder op het moment van de aanvraag hiervan. Daarbij is het bekend dat de meeste Afghaanse mannen een Tazkera aanvragen rond hun 18e verjaardag. Het is dus goed mogelijk dat eiser op het moment van de aanvraag hiervan al meerderjarig was, maar dat de autoriteiten hem voor jonger aanzagen. Dit zou betekenen dat hij meerderjarig was toen hij werkte als ASG-bewaker.
Verder wijst eiser erop dat verweerder naar aanleiding van een aangenomen motie heeft aangegeven dat de situatie van ASG-bewakers opnieuw tegen het licht zal worden gehouden. Het voorgaande maakt ook dat verweerder het tegen het primaire besluit gerichte bezwaarschrift niet zonder meer kennelijk ongegrond had mogen verklaren.
Eiser heeft op de zitting naar voren gebracht dat hij door de werkzaamheden voor ASG genoodzaakt is om te verblijven op een schuiladres. Bovendien verkeert hij op dit moment in een financieel schrijnende situatie.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het verzoek van eiser om overbrenging heeft mogen afwijzen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
4.1.
Het beleid en toetsingskader voor overbrenging van personen uit Afghanistan is neergelegd in de Kamerbrief. In die brief wordt een speciale voorziening getroffen voor twee afgebakende groepen die, naast personen die ten tijde van de acute evacuatiefase op grond van de motie Belhaj al waren opgeroepen, voor overbrenging naar Nederland in aanmerking komen.
4.2.
De eerste groep bestaat uit medewerkers van bepaalde non-gouvernementele organisaties (ngo’s) en de tweede groep bestaat uit personen die in de afgelopen twintig jaar ten minste een jaar hebben gewerkt voor Defensie of EUPOL in Afghanistan in een voor het publiek zichtbare functie. Hun identiteit en Afghaanse nationaliteit moet vast te stellen zijn. Voor de tweede groep geldt dat er op 11 oktober 2021 een afgebakende groep in beeld was van ongeveer 500 Afghanen (inclusief kerngezinnen) die voor 11 oktober 2021 een verzoek tot overbrenging hebben ingediend bij het ministerie van Defensie dan wel bekend zijn door meldingen van bijvoorbeeld veteranen. Deze verzoeken en meldingen zijn door verweerder gebundeld in een database die dient als referentie.
4.3.
Over de speciale voorziening heeft de hoogste bestuursrechter twee richtinggevende uitspraken gedaan. Geoordeeld is dat het gaat om buitenwettelijk en begunstigend beleid, waarbij het kabinet veel beleidsruimte heeft. Het stond het kabinet daarom vrij om criteria vast te stellen zodat de groepen waarop de begunstiging van toepassing is duidelijk konden worden afgebakend. Aan personen die buiten dit beleid vallen, wordt niets onthouden waar zij anders wel recht op zouden hebben. Als verweerder de overkomst van personen die buiten dit beleid vallen niet faciliteert, schendt hij niet hun fundamentele rechten. Ook niet als de Taliban dit mogelijk wel doen. Een beroep op het recht op leven en het verbod op een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in het EVRM en het IVBPR slaagt niet omdat deze verdragen Nederland niet verplichten tot evacuatie van personen. Het beleid is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Verweerder beroept zich in het kader van de speciale voorziening terecht op een duidelijke afbakening die hanteerbaar en eindig is.
4.4.
Het betoog van eiser dat verweerder in het primaire besluit zou hebben erkend dat eiser heeft gewerkt als ASG-bewaker, slaagt niet. Verweerder heeft op de zitting terecht gesteld dat hij in het primaire besluit slechts heeft aangehaald wat eiser in zijn verzoek op dit onderdeel heeft aangevoerd. Verweerder heeft dan ook niet op eigen titel vastgesteld dat eiser voor ASG heeft gewerkt. Los daarvan heeft in de bezwaarprocedure een volledige heroverweging plaatsgevonden waarbij verweerder tot de conclusie is gekomen dat het niet aannemelijk dat eiser voor ASG heeft gewerkt.
4.5.
Gelet op het onder 4.2 genoemde toetsingskader is de eerste stap het vaststellen van de identiteit van degene die om overbrenging naar Nederland heeft verzocht. Het is daarbij aan eiser om bij een verzoek om overbrenging zoals in deze zaak zijn identiteit voldoende aannemelijk te maken. Eiser heeft bij het indienen van zijn verzoek van 9 oktober 2021 zelf vermeld dat zijn geboortedatum 6 februari 1996 is. Ook in het door eiser bij zijn verzoek overlegde Tazkera staat een geboortejaar 1996 genoemd, maar met een geboortedatum van 6 juli 1996. Verder heeft eiser ook in zijn e-mail van 12 februari 2023 aan verweerder zijn geboortedatum van 6 februari 1996 genoemd. Verweerder heeft hieruit mogen afleiden dat eiser ten tijde van de door hem gestelde werkzaamheden evident minderjarig was, omdat hij in 1996 is geboren. Verweerder mocht daaruit de conclusie trekken dat het niet aannemelijk is dat eiser toen als ASG-bewaker heeft gewerkt.
Het door eiser in beroep ingenomen standpunt dat het goed mogelijk is dat hij destijds wel meerderjarig was, omdat de Afghaanse autoriteiten bij de uitgifte van zijn Tazkera zijn leeftijd te laag hebben ingeschat, vindt de rechtbank onvoldoende concreet om hier zonder meer van uit te kunnen gaan. Daarbij geven de door eiser overgelegde ASG-trainingscertificaat, ASG-identiteitskaart, groepsfoto van alle ASG-bewakers en verklaring van de toenmalige kampcommandant ook geen antwoord op de vraag hoe het kan dat een evident minderjarige als ASG-bewaker werkzaam is geweest. Eiser heeft deze tegenstrijdigheid ook niet op een andere wijze weggenomen.
4.6.
De rechtbank is van oordeel dat de hoorplicht in de bezwaarfase niet is geschonden. Verweerder heeft op basis van het bezwaarschrift buiten redelijke twijfel kunnen concluderen dat eiser niet voldoet aan de criteria van de speciale voorziening. Dat er politieke discussie bestaat over Afghaanse bewakers en het ministerie van Defensie heeft toegezegd om de situatie van ASG-bewakers nogmaals tegen het licht te houden, maakt dit oordeel niet anders.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser en zijn gezinsleden niet in aanmerking komen voor overbrenging. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Kamerstukken II 2021/22, 27 925, nr. 860.
Eiser verwijst hierbij naar het algemeen ambtsbericht van juni 2023, p. 51.
Motie van het lid Belhaj c.s., Kamerstukken II 2020/21, 25 925, nr. 788.
Zie de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718 en ECLI:NL:RVS:2023:719.
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
Zie Kamerstukken II 2023/24, 27 925, nr. 961.