Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-23
ECLI:NL:RBDHA:2024:23520
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,776 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7407
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de minister van Financiën, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Maachi).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering van verweerder om een private schuld van eiser bij de Rabobank over te nemen.
1.1.
Met het primaire besluit van 9 juni 2023 heeft verweerder geweigerd deze schuld van eiser over te nemen. Met het bestreden besluit van 26 oktober 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder hierbij gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is aangemerkt als gedupeerde ouder ten gevolge van de toeslagenaffaire. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) komen gedupeerden in aanmerking voor betaling van hun private schulden als die voldoen aan de vereisten van de Wht. Het betalen van de (afgeloste) private schulden wordt uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN).
2.1.
Eiser heeft verzocht om betaling van een private schuld van € 18.588,90 bij de Rabobank. De SBN heeft bepaald dat deze schuld niet kan worden betaald en hieraan ten grondslag gelegd dat de schuld is ontstaan en opeisbaar geworden voor 1 januari 2006, zodat niet wordt voldaan aan artikel 4.1, tweede lid, onderdeel a, van de Wht.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser heeft op de zitting naar voren gebracht dat hij door een mededeling van een medewerker van de Rabobank in de veronderstelling verkeerde dat zijn schuld zou worden overgenomen. Een medewerker van de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) heeft hem vervolgens medegedeeld dat zijn schuld niet voor overname in aanmerking komt omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat deze moet zijn ontstaan na 31 december 2005. Die medewerker heeft eiser vervolgens op de mogelijkheid van het indienen van beroep gewezen. Eiser is in beroep gegaan, omdat hij het niet eens is met deze voorwaarde. Zijn problemen zijn in de periode hiervoor zijn ontstaan, maar zijn wel het gevolg van de toeslagenaffaire.
Wat zijn de regels?
4. Op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht neemt verweerder een geldschuld over als deze:
- is ontstaan na 31 december 2005 (onderdeel a);
- vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden (onderdeel b); en
- niet is voldaan op het moment dat de aanvraag wordt gedaan (onderdeel c).
Schulden die in ieder geval niet worden overgenomen, zijn resterende hoofdsommen van leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Tussen partijen is niet in geschil dat de schuld van eiser bij de Rabobank niet is ontstaan na 31 december 2005. De schuld voldoet daarom niet aan de in artikel 4.1 van de Wht gestelde voorwaarden voor overname ervan. Gelet daarop mocht verweerder besluiten om de schuld van eiser bij de Rabobank niet over te nemen.
6. Eiser heeft aangevoerd dat hij het niet eens is met de voorwaarde dat de schuld moet zijn ontstaan na 31 december 2005. De rechtbank ziet hierin een beroep op de hardheidsclausule zoals neergelegd in artikel 9.1 van de Wht.
6.1.
Artikel 9.1 van de Wht bepaalt dat van artikel 4.1 kan worden afgeweken voor zover toepassing zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Voor toepassing van deze hardheidsclausule is vereist dat er bijzondere omstandigheden zijn die door de wetgever niet zijn voorzien en die tot een schrijnende situatie leiden.
6.2.
De rechtbank overweegt dat zich hier geen bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Bij de totstandkoming van de Wht is namelijk bewust gekozen voor een startdatum van 1 januari 2006, omdat toen de huidige toeslagensystematiek werd geïntroduceerd en schulden van voor deze periode daardoor nooit het gevolg van een probleem met kinderopvangtoeslagen kunnen zijn. Er is dan ook geen ruimte om schulden die zijn ontstaan voor die periode over te nemen. Los daarvan is in Memorie van Toelichting van de Wht vermeld dat het niet uitmaakt of een schuld is te herleiden tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag. Ook als het causale verband tussen de schuld van eiser en de toeslagenaffaire wel had vastgestaan, had verweerder hierin dus geen aanleiding hoeven zien om de schuld van eiser over te nemen. Daarbij is niet gebleken dat de financiële problemen van eiser zodanig zijn dat van een onbillijkheid van overwegende aard sprake is als de schuld niet wordt overgenomen.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder mocht besluiten dat de door eiser opgegeven schuld in zijn geheel niet voor overname door SBN in aanmerking komt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Garabitian, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit geldt ten aanzien van andere dan hypothecaire leningen, zie artikel 4.1, vierde lid, onder b, van de Wht.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, blz. 162.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, blz. 130.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, blz. 41.