Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-23
ECLI:NL:RBDHA:2024:23519
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,972 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7913
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. H.S. Huisman),
en
de minister van Financiën, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Akkas).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van verweerder om een private schuld bij ABN AMRO over te nemen.
1.1.
Met het primaire besluit van 12 april 2023 heeft verweerder geweigerd deze schuld van eiseres over te nemen. Met het bestreden besluit van 12 oktober 2023 op het bezwaar van eiseres is verweerder hierbij gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.
1.4.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen navraag te doen bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) naar het bestaan van eventuele telefoonnotities van telefonisch contact met eiseres. Verweerder heeft vervolgens op 26 september 2024 twee telefoonnotities ingebracht. Eiseres heeft hier op 14 oktober 2024 op gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde ouder ten gevolge van de toeslagenaffaire. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) komen gedupeerden in aanmerking voor compensatie van afgeloste private schulden en betaling van hun private schulden als die voldoen aan de vereisten van de Wht. Het compenseren dan wel betalen van de (afgeloste) private schulden wordt uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN).
2.1.
Eiseres heeft verzocht om betaling van een private schuld van € 5.000,- bij ABN AMRO, die zij heeft afbetaald met het ontvangen bedrag van € 30.000,- in verband met de Catshuisregeling (hierna: het compensatiebedrag). De SBN heeft bepaald dat deze schuld niet kan worden betaald en hieraan ten grondslag gelegd dat de betreffende schuld vanwege een gebrek aan informatie niet goed kan worden beoordeeld.
2.2.
Met het bestreden besluit op het tegen het primaire besluit gerichte bezwaar van eiseres is verweerder bij de weigering van het overnemen van de schuld gebleven en heeft hiervoor als reden gegeven dat geen sprake is geweest van opeisbare betalingsachterstanden of een opeising van de volledige vordering zodat niet wordt voldaan aan artikel 4.1, tweede lid, onderdeel b jo. artikel 4.3, eerste lid, van de Wht.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres stelt dat haar schuld bij ABN AMRO ten onrechte niet door verweerder is betaald. Volgens eiseres is deze schuld namelijk wel degelijk voor 1 juni 2021 opeisbaar geworden. Zij stelt daartoe dat ABN AMRO de schuld ambtshalve heeft verrekend met het door eiseres ontvangen compensatiebedrag. Dit staat volgens eiseres gelijk aan het opeisen van de resterende hoofdsom. Eiseres betoogt verder dat zij een gerechtvaardigd beroep kan doen op de hardheidsclausule. Zij stelt daartoe dat ze haar contactpersoon bij het UHT telefonisch had verzocht het compensatiebedrag niet op haar bankrekening te storten omdat zij meerdere schulden had en moest afbetalen. Afgesproken was dat de contactpersoon eiseres zou terugbellen, zodat eiseres een ander rekeningnummer zou doorgeven. Zij wilde namelijk vrijelijk over het bedrag kunnen beschikken. Er is onzorgvuldig gehandeld door het compensatiebedrag desondanks zonder de toestemming van eiseres op haar rekening te storten. Dat het compensatiebedrag vervolgens vrijwel volledig is aangewend voor het aflossen van haar schulden, acht eiseres bovendien in strijd met de doelstelling van de hersteloperatie om gedupeerden van de toeslagenaffaire een nieuwe start te laten maken. Dit houdt ook in dat ouders zoveel mogelijk moeten overhouden van het overgemaakte compensatiebedrag. Verder moet bij de beoordeling van het beroep op de hardheidsclausule nog worden meegewogen dat de met het ontvangen compensatiebedrag afgeloste informele schulden van eiseres niet voor overname in aanmerking komen vanwege het ontbreken van een notariële akte.
Wat zijn de regels?
4. Op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht neemt verweerder een geldschuld over als deze:
- is ontstaan na 31 december 2005 (onderdeel a);
- vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden (onderdeel b); en
- niet is voldaan op het moment dat de aanvraag wordt gedaan (onderdeel c).
Schulden die in ieder geval niet worden overgenomen, zijn resterende hoofdsommen van leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden.
4.1.
Op grond van artikel 4.3, eerste lid, van de Wht verleent verweerder aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel op aanvraag compensatie voor een afgeloste geldschuld die op grond van artikel 4.1 voor overneming in aanmerking zou komen als deze niet voldaan was.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de schuld van eiseres bij ABN AMRO vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden.
5.1.
Uit de voorwaarden van de kredietovereenkomst tussen eiseres en ABN AMRO blijkt dat de vordering alleen opeisbaar wordt in het geval er twee termijnbedragen niet door eiseres zijn betaald en een betaling ook na het versturen van een schriftelijke ingebrekestelling uitblijft. Daarvan is de rechtbank in dit geval echter niet gebleken. Dat betekent dat de schuld van eiseres bij ABN AMRO niet opeisbaar is geworden.
5.2.
Eiseres wordt niet gevolgd in haar betoog dat de schuld opeisbaar is geworden op het moment dat ABN AMRO deze ambtshalve heeft verrekend met het door eiseres ontvangen compensatiebedrag. Uit artikel 4.3, vijfde lid, van de Wht volgt immers dat de hoogte van de compensatie voor een afgeloste geldschuld gelijk is aan het bedrag dat de aanvrager van de compensatie heeft afgelost aan opeisbare schulden. Daaruit kan worden afgeleid dat alleen die schulden worden gecompenseerd die op het moment van betalen al opeisbaar waren. De rechtbank heeft hiervoor al vastgesteld dat aan dit vereiste in dit geval niet wordt voldaan. De door eiseres in dit verband aangehaalde uitspraak van de rechtbank Gelderland kan haar evenmin baten. De rechtbank overweegt dat het in die procedure ging over de vraag of een geldschuld die voortvloeit uit een alimentatieverplichting voor overname in aanmerking komt. De beoordeling van de opeisbaarheid van een dergelijke geldschuld verschilt echter van die van een geldschuld die is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser zoals in onderhavige procedure het geval is.
6. Eiseres heeft verder betoogd dat zij een gerechtvaardigd beroep kan doen op de hardheidsclausule.
6.1.
Artikel 9.1 van de Wht bepaalt dat van artikel 4.1 en 4.3 kan worden afgeweken voor zover toepassing zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Voor toepassing van deze hardheidsclausule is vereist dat er bijzondere omstandigheden zijn die door de wetgever niet zijn voorzien en die tot een schrijnende situatie leiden.
6.2.
De rechtbank overweegt dat zich hier geen bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wht blijkt dat het doel van de regeling is gericht op het bieden van een nieuwe start aan gedupeerde ouders door hen in bepaalde gevallen te vrijwaren van incassomaatregelen. Hoewel gekozen is voor het bieden van een nieuwe start, zijn er dus schulden die zijn uitgesloten van herstel. De regeling voor het betalen van private schulden heeft dus niet tot doel gedupeerden volledig te vrijwaren van betalingsverplichtingen. Alleen opeisbare schulden of achterstanden zijn onder de regeling gebracht. De uiterlijke datum van de opeisbaarheid is op 1 juni 2021 bepaald. De eis dat het moet gaan om opeisbare schulden behoort daarmee tot de kern van de regeling en is een in de totstandkomingsgeschiedenis van de regeling steeds terugkerend uitgangspunt. Onder rechtsoverweging 4.2 is al vastgesteld dat de schuld van eiseres bij ABN AMRO door het ambtshalve verrekenen hiervan met het compensatiebedrag niet opeisbaar is geworden. Dat zij als gevolg hiervan niet ten volle over het compensatiebedrag heeft kunnen beschikken is weliswaar ongelukkig, maar gelet daarop niet zonder meer in strijd met de bedoeling van de wetgever. De verwijzing van eiseres in dit verband naar de Kamerbrief van de staatssecretaris van Financiën van 8 april 2023 doet aan het voorgaande niet af. Bovendien is uit de door verweerder opgevraagde telefoonnotities bij het UHT niet gebleken dat het compensatiebedrag zonder toestemming van eiseres op haar rekening is gestort. Eiseres heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder mocht besluiten dat de door eiseres opgegeven schuld in zijn geheel niet voor overname door SBN in aanmerking komt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Garabitian, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zoals bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van de Wht.
Eiseres wijst ter onderbouwing van dit standpunt op de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 april 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:2071.
Eiseres wijst in dit verband op de Kamerbrief van de staatssecretaris van Financiën aan de Voorzitter van de Eerste Kamer van 8 april 2023 (Kamerstukken I, 2020/21, 35 704, nr. E).
Dit geldt ten aanzien van andere dan hypothecaire leningen, zie artikel 4.1, vierde lid, onder b, van de Wht.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, blz. 162.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, blz. 38.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, blz. 41.