Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-15
ECLI:NL:RBDHA:2024:23494
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,440 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/8031
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Shaaban),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. R.D. Fehrmann).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een urgentieverklaring.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 28 juli 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 oktober 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van eiser.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is met zijn partner en vijf kinderen woonachtig in de woning aan de [adres 1] in [plaats 1] . Hij stelt dat deze woning te klein is voor zijn gezin. Bovendien wil eiser verhuizen naar de leegstaande woning aan de [adres 2] in [plaats 1] omdat zijn ex-partner met hun vier gezamenlijke kinderen ook in deze straat wonen. Alle kinderen van eiser kunnen dan naar dezelfde school gaan. Gelet op het voorgaande heeft eiser een aanvraag gedaan voor een urgentieverklaring. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat er meerdere weigeringsgronden van toepassing zijn. Zo is er geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem, kon eiser het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of op een andere wijze oplossen en heeft eiser niet eerst direct voorafgaand aan de aanvraag drie maanden zelf aantoonbaar gereageerd op het beschikbare woningaanbod. Verder bestaat volgens verweerder geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen om in afwijking van het beleid alsnog een urgentieverklaring te verlenen.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat de huidige woning veel te klein is. Zo telt de woning maar vier kamers terwijl het een gezin van zeven personen betreft. Er is daardoor onvoldoende ruimte voor slaapplekken en persoonlijke ruimte voor de kinderen. Verder heeft verweerder ten onrechte gesteld dat eiser de krapte in de woning had kunnen voorzien. Het gezin kreeg de woning bij het verlaten van het asielzoekerscentrum toegewezen en er bestond geen mogelijkheid om dit aanbod af te wijzen. Bovendien was de partner van eiser al in verwachting op het moment dat de woning aan het gezin werd toegewezen. Dat het gezin van eiser door de grootte hiervan al voorrang krijgt op woningen, blijkt niet uit de lage posities die eiser steeds inneemt op de wachtlijsten. Verder komt eiser op tegen de door verweerder toegepaste weigeringsgrond dat hij niet voldoende heeft gereageerd op het beschikbare woningaanbod. Hij stelt dat aanvankelijk de zoekcriteria verkeerd stonden ingesteld waardoor hij niet kon reageren op woningen die groter zijn dan zijn huidige woning. Dit probleem is na de hoorzitting in de bezwaarfase verholpen en inmiddels heeft eiser al een aantal keer gereageerd op beschikbare woningen. Dit heeft er echter nog niet toe geleid dat een woning aan hem is toegewezen. Verder stelt eiser dat verweerder de belangen van zijn kinderen onvoldoende heeft meegewogen bij het nemen van het bestreden besluit. Hun sociaal-emotionele ontwikkeling wordt door de huidige situatie ernstig verstoord. Dit had verweerder aanleiding moeten om in dit geval de hardheidsclausule toe te passen.
Wat zijn de regels?
4. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij het toekennen van een urgentieverklaring beoordelingsruimte en beleidsvrijheid toekomt. Daarom moet de rechtbank het bestreden besluit terughoudend toetsen. Bij het verlenen van urgentieverklaringen is verweerder gehouden aan het opgestelde beoordelingssysteem. Indien zich één van de algemene weigeringsgronden voordoet, wordt een urgentieverklaring door verweerder in beginsel geweigerd. Een inhoudelijke toets om te kijken of de woonsituatie van eiser door sociale of medische omstandigheden als levensbedreigend of ontwrichtend moet worden aangemerkt, blijft in dat geval achterwege. Dit restrictieve beleid van verweerder is door de hoogste bestuursrechter niet onredelijk geacht vanwege het grote aantal aanvragen voor een urgentieverklaring en het kleine aantal toewijsbare huurwoningen dat beschikbaar komt.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de urgentieaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen, omdat er sprake is van meerdere weigeringsgronden. Zo kan een te kleine woning niet worden aangemerkt als een urgent huisvestingsprobleem. Verder heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet alles wat redelijkerwijs tot diens mogelijkheden behoort te hebben gedaan om het huisvestingsprobleem te voorkomen of op te lossen. Zo heeft verweerder er terecht op gewezen dat het jongste kind van eiser is geboren nadat de huidige woning aan hem is toegewezen en daarom kon worden voorzien dat dit tot verdere krapte in de woning zou leiden. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit toegelicht dat eiser door de omvang van zijn gezin al voorrang krijgt op woningen, maar dat het daarvoor wel van belang is dat ook op woningen wordt gereageerd. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen reden om te twijfelen aan de juistheid hiervan. Niet is gebleken dat eiser optimaal van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt en daarmee alle mogelijkheden heeft uitgeput om het woonprobleem zelf op te lossen.
7. Verder heeft verweerder eiser mogen tegenwerpen dat hij niet direct voorafgaand aan de aanvraag drie maanden zelf aantoonbaar heeft gereageerd op het beschikbare woningaanbod. Uit de stukken blijkt immers dat eiser sinds zijn inschrijving op Woonnet-Haaglanden op 16 februari 2021 slechts drie keer heeft gereageerd op woningen. Zo waren twee geadverteerde woningen, namelijk de [adres 3] en de [adres 4] te [plaats 2] , groter dan de huidige woning van eiser. Dit wordt door eiser ook niet betwist. De rechtbank overweegt dan ook dat eiser op deze woningen had kunnen reageren. Dat dit niet mogelijk zou zijn geweest omdat de zoekcriteria langere tijd verkeerd stonden ingesteld, is door eiser niet met nadere stukken onderbouwd. De stelling van eiser dat hij inmiddels wel actief reageert op woningen, mocht door verweerder eveneens terzijde worden geschoven. Op grond van het beleid van verweerder gaat het immers om de vraag of eiser in de drie maanden voorafgaand aan de aanvraag aantoonbaar heeft gereageerd op beschikbare woningen. Dit is gelet op het voorgaande niet het geval geweest. Voor zover eiser stelt enkel te willen verhuizen naar de leegstaande woning aan de [adres 2] , heeft verweerder terecht gesteld dat het hierbij gaat om een woonwens en dat hiermee bij de beoordeling van een aanvraag om een urgentieverklaring geen rekening hoeft te worden gehouden.
8. Omdat meerdere algemene weigeringsgronden van toepassing zijn, hoefde verweerder niet te beoordelen of een urgentieverklaring om sociale of medische redenen kon worden verleend.
9. Verweerder voert het zeer terughoudende beleid dat toepassing van de hardheidsclausule alleen is bedoeld voor uitzonderlijke en schrijnende gevallen vanwege het tekort aan sociale huurwoningen en de vele woningzoekenden in de regio Haaglanden. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de situatie van eiser en zijn gezin niet ideaal is, onderscheidt hij zich met zijn woonsituatie onvoldoende van anderen die zich in een soortgelijke situatie bevinden. De stelling van eiser dat de sociaal-emotionele ontwikkeling van zijn kinderen door de huidige situatie ernstig wordt verstoord, is niet met nadere (medische) informatie aannemelijk gemaakt. Verweerder mocht hierbij eveneens de omstandigheid meewegen dat eiser vanwege de omvang van zijn gezin al voorrang krijgt op woningen. Het voorgaande brengt met zich mee dat verweerder zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van eiser. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de situatie van eiser niet zo uitzonderijk en schrijnend is dat verweerder gehouden was om, in afwijking van het beleid, alsnog een urgentieverklaring te verstrekken.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Huisvestingsverordening Den Haag 2023
Artikel 4:5 Algemene weigeringsgronden urgentieverklaring
Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring als naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:
(…)
b. er geen sprake is van een huisvestingsprobleem;
c. de aanvrager kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of was te voorzien;
(…)
m. de aanvrager heeft niet eerst direct voorafgaand aan de aanvraag drie maanden zelf aantoonbaar gereageerd op het beschikbare woningaanbod, tenzij de aanvraag wordt gedaan op grond van artikel 4:6;
(…)
Artikel 7:3 Hardheidsclausule
Burgemeesters en wethouders kunnen een artikel of artikelen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing ervan gelet op het belang van de bestrijding van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste leidt tot onbillijkheid van overwegende aard.
Beleidsregel urgentieverklaringen Den Haag 2019
Artikel 2.1.2 Nadere uitwerking afwijzingsgrond artikel 4:5, onder b, van de verordening
Er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem waarvoor indeling in een urgentiecategorie mogelijk is, bij de volgende op zichzelf staande situaties:
(…)
c. de huidige woning is te klein of te groot voor het huishouden van de aanvrager;
(…)
Artikel 2.1.3 Nadere uitwerking afwijzingsgrond artikel 4:5, onder c, van de verordening
a. niet alles wat redelijkerwijs tot diens mogelijkheden behoort heeft gedaan om het huisvestingsprobleem te voorkomen of op te lossen;
Artikel 2.1.13 Nadere uitwerking afwijzingsgrond artikel 4:5, onder m, van de verordening
Een woningzoekende kan niet in een urgentiecategorie worden ingedeeld, indien de aanvrager niet eerst zelf, direct voorafgaand aan de aanvraag, gedurende minstens drie maanden aantoonbaar heeft gereageerd op beschikbaar en passend woningaanbod, met uitzondering van een aanvraag die wordt gedaan op grond van artikel 4:6 van de verordening (mantelzorg en blijf-van-mijn-lijf-huis). De aanvrager heeft niet optimaal gereageerd op het beschikbare woningaanbod op Woonnet-Haaglanden indien:
a. de woningzoekende niet tenminste twee keer per week heeft gereageerd;
(…)
Zie artikel 4:5, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening Den Haag 2023 (Huisvestingsverordening), in samenhang gelezen met artikel 2.1.2, aanhef en onder c van de Beleidsregel Urgentieverklaringen Den Haag 2019 (Beleidsregel).
Zie artikel 4:5, aanhef en onder c, van de Huisvestingsverordening, in samenhang gelezen met artikel 2.1.3, aanhef en onder a, van de Beleidsregel.
Zie artikel 4:5, aanhef en onder m, van de Huisvestingsverordening, in samenhang gelezen met artikel 2.1.13, aanhef en onder a, van de Beleidsregel.
Zie artikel 7:3 van de Huisvestingsverordening Den Haag 2023.
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:857.