Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-30
ECLI:NL:RBDHA:2024:23487
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,401 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/6316
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de directie van de RDW, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Choufoer-Van der Wel).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om zijn Australische rijbewijs om te wisselen voor een Nederlands rijbewijs.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 12 mei 2023 (het primaire besluit) afgewezen. Eiser heeft op 24 september 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op zijn tegen het primaire besluit ingediende bezwaar. Met het besluit (het bestreden besluit) van 29 september 2023 heeft verweerder een beslissing genomen op het bezwaar van eiser en is hij bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Hierin heeft verweerder eveneens overwogen tijdig op het bezwaar van eiser te hebben beslist en daarom besloten geen dwangsom toe te kennen.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is in het bezit van een Australisch rijbewijs en heeft een aanvraag ingediend om deze in te wisselen voor een Nederlands rijbewijs. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser kan zich niet verenigen met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij geeft aan dat hij kwalificeert als een bekwaam en verantwoordelijk bestuurder. Daartoe stelt hij in Australië zowel theorie- als praktijkexamens te hebben behaald, een veiligheidscursus te hebben gevolgd en 140 uur aan begeleid rijervaring te hebben opgedaan. Bovendien heeft hij zijn rijexamen behaald op jonge leeftijd. Dat hij over een Provisional Drivers License beschikt, betekent slechts dat hij minder punten kan verliezen. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat zijn Australisch rijbewijs minder waarde heeft dan een Nederlands rijbewijs. Verder stelt eiser eveneens de beschikking te hebben over een internationaal rijbewijs, dat ook in Nederland mag worden gebruikt. Voorts heeft eiser kosten gemaakt voor het indienen van zijn aanvraag en heeft hij de toezegging gekregen dat deze zou worden toegewezen. Daarbij stelt eiser voornemens te zijn om langere tijd in Nederland te blijven wonen en om volledig deel te kunnen nemen aan de maatschappij heeft hij zijn rijbewijs nodig. Bovendien brengt het opnieuw moeten doen van rijexamens in Nederland aanzienlijke financiële lasten voor hem mee. Gelet deze omstandigheden is het voor hem essentieel dat zijn rijbewijs voor omwisseling in aanmerking komt.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht gesteld dat binnen de termijn van de door eiser gestuurde ingebrekestelling alsnog op het bezwaar van eiser is beslist. Gelet hierop is het door eiser ingestelde beroep tegen het niet tijdig beslissen prematuur ingesteld.
Verder heeft eiser ook geen procesbelang meer bij zijn beroep niet tijdig omdat verweerder alsnog een besluit heeft genomen op het bezwaar van eiser. Het beroep is daarom, voor zover het zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ook betrekking op het alsnog genomen besluit. Dit volgt uit artikel 6:20, derde lid van de Awb. Dit beroep zal de rechtbank inhoudelijk behandelen.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft besloten de aanvraag van eiser tot inwisseling van zijn rijbewijs af te wijzen. Daartoe overweegt zij het volgende.
5.1.
Een Australisch rijbewijs is niet aangewezen bij ministeriële regeling als zijnde ten minste gelijkwaardig aan rijbewijzen en de verkrijging daarvan zoals voorzien in richtlijn nr. 2006/12/EG. Zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, heeft de hoogste bestuursrechter in een eerdere uitspraak al geoordeeld dat het in artikel 1 van de Regeling gemaakte onderscheid, gelet op de kwaliteitseisen die omwille van de verkeersveiligheid aan de verstrekking van rijbewijzen moeten worden gesteld en de bereidheid van landen genoemd in dat artikel om Nederlandse rijbewijzen om te wisselen tegen nationale rijbewijzen, gerechtvaardigd is. Dat eiser stelt door zijn ervaring een bekwaam en verantwoordelijk bestuurder te zijn - wat hier ook verder van zij - kan dan ook niet leiden tot de conclusie dat verweerder in afwijking van de dwingende bepalingen uit de Rr en de Regeling zijn Australische rijbewijs alsnog had moeten aanmerken als gelijkwaardig.
Eiser kan zijn rijbewijs evenmin laten omwisselen om redenen van algemeen belang zoals bedoeld in artikel 2 van de Regeling. Hij kan immers niet worden aangemerkt als een ingekomen werknemer die beschikt over specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is. In de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling is tevens overwogen dat de omstandigheid dat op grond van artikel 2 van de Regeling een beperkte uitzondering wordt gemaakt op artikel 1, gelet op het belang van de verkeersveiligheid, niet met zich brengt dat in situaties die niet vallen onder artikel 2 van de Regeling eveneens tot omwisseling van het rijbewijs dient te worden overgegaan.
5.2.
Verder heeft verweerder terecht opgemerkt dat een internationaal rijbewijs niet kan worden ingewisseld en los staat van een omwisselingsprocedure zoals in deze zaak aan de orde. Dat eiser met een internationaal rijbewijs in Nederland wel heeft mogen rijden, kan dus in deze procedure niet tot een andere uitkomst leiden.
5.4.
De omstandigheid dat eiser voor het doen van de aanvraag kosten heeft moeten maken, maakt evenmin dat verweerder over had moeten gaan tot omwisseling van zijn rijbewijs. Eiser heeft een bedrag moeten betalen voor het indienen van een aanvraag, maar dit betekent nog niet dat daarmee de aanvraag ook zal worden toegewezen. Eiser heeft ook niet aannemelijk kunnen maken dat hem de toezegging is gedaan dat de aanvraag zou worden toegewezen.
5.5.
Daarbij heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat de nadelige gevolgen van het besluit voor eiser niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Verweerder heeft een zwaarder gewicht mogen toekennen aan het belang van de verkeersveiligheid dan aan de individuele belangen van eiser dat hij langere tijd in Nederland wil blijven wonen en hij anders kosten zal moeten maken voor het opnieuw afleggen van een rijexamen. Gelet op het voorgaande slaagt het beroep van eiser op het evenredigheidsbeginsel niet.
Conclusie
6. Het beroep van eiser voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Het beroep van eiser tegen het bestreden besluit is voor het overige ongegrond. Er bestaat geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding. Verweerder hoeft evenmin het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep van eiser voor zover gericht tegen het niet nemen van een beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van eiser voor het overige ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
30 september 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen mede betrekking op dit besluit.
Op grond van artikel 46 van het Reglement rijbewijzen (Rr) en artikel 1 van de Regeling omwisseling niet-Nederlandse rijbewijzen (Regeling).
Zie in dit verband artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
Op grond van artikel 46, vijfde lid, van de Rr en artikel 1 van de Regeling.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV0601.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Regeling.
Zie voetnoot 5.