Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-09
ECLI:NL:RBDHA:2024:23483
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,237 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7392
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2024 in de zaak tussen
[naam] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. I. Kotliar),
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder
(gemachtigde: mr. J.A. Launspach).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het ambtshalve herroepen van het besluit tot het ongeldig verklaren van zijn rijbewijs wegens het niet volledig meewerken aan een rijgeschiktheidsonderzoek.
1.1.
Verweerder heeft op 30 augustus 2023 (het primaire besluit) besloten het rijbewijs van eiser ongeldig te verklaren. Met het bestreden besluit van 29 september 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en uit coulance ambtshalve het primaire besluit herroepen en eiser in de gelegenheid gesteld alsnog deel te nemen aan een rijvaardigheidsonderzoek.
1.2.
Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Op 15 april 2023 heeft de politie geconstateerd dat eiser een snelheidsovertreding beging en heeft hierover een melding naar verweerder gestuurd. Verweerder heeft eiser op basis van deze melding verplicht tot het meewerken aan een cursus over verantwoord rijgedrag. Omdat eiser echter niet genoeg Nederlands spreekt om deze cursus te volgen heeft verweerder eiser verplicht om deel te nemen aan een rijvaardigheidsonderzoek. Dit onderzoek zou op 29 augustus 2023 plaatsvinden. Verweerder heeft bij het primaire besluit het rijbewijs van eiser ongeldig verklaard omdat eiser niet aan het rijvaardigheidsonderzoek heeft meegewerkt. Eiser is namelijk niet op het rijvaardigheidsonderzoek verschenen. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit uit coulance ambtshalve herroepen. Hierbij is eiser nog eenmaal in de gelegenheid gesteld om een afspraak te maken voor een nieuw rijvaardigheidsonderzoek. Na dit onderzoek is het rijbewijs van eiser weer geldig verklaard.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser stelt bij een rijschool een oefencursus te hebben gevolgd en eveneens een vrachtauto met aanhanger te hebben gehuurd die beschikbaar zou zijn op de dag van het rijvaardigheidsonderzoek. Deze rijschool nam op de avond van 27 augustus 2023 echter contact met hem op met de mededeling dat het betreffende voertuig technische mankementen had en daarom niet kon worden gebruikt voor het rijvaardigheidsonderzoek. Eiser heeft verweerder hier zowel telefonisch als via de mail over ingelicht. Verweerder heeft hier echter niet meer op gereageerd. Bij gebrek aan nadere instructies heeft eiser vervolgens besloten om niet aanwezig te zijn op de dag van het rijvaardigheidsonderzoek. Het regelen van een vervangend voertuig was een dag van tevoren immers nagenoeg onmogelijk en zonder voertuig zou deelname aan het onderzoek zinloos zijn. Gelet op voornoemde omstandigheden kan eiser zich dan ook niet vinden in de conclusie van verweerder dat hij niet volledig aan het rijvaardigheidsonderzoek heeft meegewerkt. Het is juist verweerder aan te rekenen dat hij eiser geen nadere informatie heeft verschaft over het verdere verloop van de procedure. Verder stelt eiser dat het daarop ongeldig verklaren van zijn rijbewijs door verweerder grote financiële gevolgen voor hem heeft gehad. Zo heeft hij zijn werkzaamheden tijdelijk moeten staken en is hij een opdrachtgever kwijtgeraakt. Eiser verzoekt de rechtbank dan ook om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de schade die hij als gevolg hiervan heeft geleden. Verder wordt verzocht om verweerder te veroordelen tot een vergoeding van de proceskosten die zijn gemaakt in zowel de bezwaarfase als de procedure van de voorlopige voorziening.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Verweerder heeft op 23 juni 2023 een brief naar eiser gestuurd met daarin de bevestiging dat er een rijvaardigheidsonderzoek voor een vrachtauto met aanhangwagen was ingepland. In de brief wordt eveneens vermeld dat er telefonisch contact moet worden opgenomen indien het echt niet mogelijk zou zijn om naar het onderzoek te komen. Er moet dan rekening worden gehouden met het feit dat om bewijs kan worden gevraagd. Als reden voor zijn afwezigheid bij het onderzoek heeft eiser gesteld dat sprake was van technische mankementen bij een al eerder door hem gehuurde lesvrachtwagen met aanhanger en hij daarom op de dag van het onderzoek niet over het daartoe benodigde vervoer kon beschikken. Eiser heeft echter niet onderbouwd dat hij een lesvrachtauto heeft gereserveerd voor de dag van het rijvaardigheidsonderzoek en heeft tevens geen stukken ingebracht waaruit blijkt dat dit voertuig wegens technische mankementen niet beschikbaar was op de dag van het geplande onderzoek. Zoals ook al in de brief van 23 juni 2023 is vermeld, mag verweerder vragen om bewijsstukken als iemand stelt echt niet naar het geplande onderzoek te kunnen komen. Eiser was verplicht deel te nemen aan het onderzoek en als dit niet mogelijk was dan is het aan eiser om tijdig contact te zoeken en te onderbouwen waarom het voor hem niet mogelijk is om aan dit onderzoek deel te nemen. De rechtbank merkt daarbij op dat eiser ook in beroep nog steeds geen stukken heeft ingebracht waaruit blijkt dat hij tijdig een vrachtwagen met aanhanger had gereserveerd en dat deze vrachtauto technische mankementen had waardoor die op de dag van het onderzoek niet beschikbaar was. Verweerder mocht dan ook concluderen dat eiser niet volledig aan het rijvaardigheidsonderzoek heeft meegewerkt.
5. Gelet op het voorgaande heeft verweerder het rijbewijs van eiser bij het primaire besluit ongeldig kunnen verklaren en bestaat er geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Verweerder heeft desondanks het primaire besluit uit coulance herroepen. Alleen al daarom hoeft verweerder eiser geen schadevergoeding te betalen. Voor het veroordelen van verweerder tot een vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase bestaat gelet op de rechtmatigheid van het primaire besluit daarom evenmin aanleiding. Ten aanzien van de verzochte proceskosten in het kader van de procedure van de voorlopige voorziening overweegt de rechtbank dat daarover al uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter van deze rechtbank. Deze heeft het verzoek afgewezen omdat verweerder het primaire besluit uit coulance ambtshalve heeft herroepen.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten in beroep dan wel bezwaar. Er bestaat evenmin aanleiding om verweerder te veroordelen in de schade die eiser door het primaire besluit stelt te hebben geleden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
9 september 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
In de zin van artikel 130 van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994).
Op grond van artikel 131, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, in samenhang gelezen met artikel 23, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (Regeling).
Op grond van artikel 132, tweede lid, van de Wvw 1994.