Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-05
ECLI:NL:RBDHA:2024:23463
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,783 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.21030
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A. Heida),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 21 april 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 13 mei 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Ook is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. 1.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft vervolgens op dit verweerschrift gereageerd.
2. De rechtbank heeft het beroep op 27 juni 2024 op zitting behandeld, waar de gemachtigde van verweerder aan heeft deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet ter zitting verschenen.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit en stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1993.
Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft in Algerije zijn ouders verloren en is daarna in conflict gekomen met zijn oom en neven van zijn vaderskant. Zijn oom stuurde steeds zijn neven en de politie op hem af. Er zijn ook andere heftige incidenten geweest. Zo heeft eiser door toedoen van de politie de hond van zijn (overleden) broer verloren en is hij door de politie ontkleed. Verder is de snackbar van eiser in brand gestoken door zijn neven. De Algerijnse rechtbank heeft in een procedure geoordeeld dat eiser aanspraak kan maken op schadevergoeding door zijn neven. Eiser heeft deze schadevergoeding echter niet afgewacht en heeft Algerije verlaten. Hij vreest voor problemen met zijn familie bij terugkeer naar Algerije en is bang door zijn oom te worden vermoord. Eiser heeft in Algerije geen familie meer bij wie hij terecht kan en heeft daar geen inkomen en geen onderdak.
Het bestreden besluit
4. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
problemen met zijn familie; en
bij terugkeer geen familie meer aanwezig, geen inkomen, geen onderdak.
Verweerder vindt de identiteit van eiser niet geloofwaardig, maar zijn nationaliteit en herkomst wel. Dat eiser problemen heeft met zijn familie, dat bij terugkeer geen familie aanwezig is om voor eiser te zorgen en dat hij geen inkomen en geen onderdak heeft, gelooft verweerder wel. Volgens verweerder zijn de geloofwaardig geachte relevante elementen echter niet te herleiden tot vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en ook is niet aannemelijk gemaakt dat eiser bij uitzetting naar Algerije een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort gezegd – het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte overwogen dat geen sprake is van vluchtelingschap of een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Verweerder werpt eiser ten onrechte tegen dat hij eerder in Frankrijk en Spanje heeft verbleven zonder daar om internationale bescherming te verzoeken. Verder heeft verweerder niet op juiste wijze getoetst aan werkinstructie 2014/10 (hierna: de werkinstructie). Volgens eiser is alleen beoordeeld of de relevante elementen terug te herleiden zijn tot het Vluchtelingenverdrag, maar niet of deze zwaarwegend zijn waardoor eiser een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft verder ten onrechte niet onderkend dat eiser – zelfs bij een goed functionerend justitieel systeem – een groot risico loopt om opnieuw te worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Algerije is geen veilig land en het is niet aan eiser om te bewijzen dat de autoriteiten niet voor bescherming kunnen zorgen. Dat eiser eerder in het gelijk is gesteld in een gerechtelijke procedure, maakt volgens hem nog niet dat hij de effectieve bescherming van de autoriteiten kan inroepen
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder motiveert de rechtbank hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
7. De gemachtigde van eiser heeft alleen gesteld dat sprake is van vluchtelingschap, maar heeft in het beroepschrift niet uiteengezet tot welke grond(en) van het Vluchtelingverdrag de relevant bevonden elementen zijn te herleiden. Het standpunt van verweerder dat eiser geen verblijfsvergunning kan krijgen als verdragsvluchteling omdat de relevant bevonden elementen niet te herleiden zijn tot een van de gronden in het Vluchtelingenverdrag, heeft eiser niet bestreden. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat dit punt tussen partijen niet langer in geschil is.
8. De rechtbank zal daarom, naar aanleiding van hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, alleen beoordelen of verweerder op juiste gronden heeft overwogen dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM.
Zorgvuldigheid en motivering besluitvorming
9. De rechtbank overweegt dat uit de werkinstructie blijkt dat verweerder aan de hand van de geloofwaardige relevante elementen beoordeelt of de daaraan ontleende vermoedens over wat de vreemdeling bij terugkeer naar zijn land van herkomst te wachten staat aannemelijk zijn. De samenhang tussen de geloofwaardige relevante elementen en de daaruit volgende risico’s bij terugkeer moeten volgens een redelijke mate van waarschijnlijkheid aannemelijk worden gemaakt.
9.1.
Ondanks dat de rechtbank het met eiser eens is dat het bestreden besluit niet geheel in lijn is met de chronologie van de beoordeling die wordt beschreven in de werkinstructie, maakt dit niet dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek heeft. Verweerder heeft in zijn verweerschrift en ter zitting zijn besluit nader gemotiveerd en daarmee onduidelijkheden weggenomen. Eiser is niet verschenen ter zitting, maar heeft wel gereageerd op het verweerschrift. Daarmee is voldaan aan de vereisten van hoor- en wederhoor. Op deze grond komt het bestreden besluit daarom niet voor vernietiging in aanmerking.
Artikel 3 van het EVRM (subsidiaire bescherming)
10. Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij in zijn individuele geval een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Ernstige schade moet bovendien worden veroorzaakt door één van de ‘actoren’ van ernstige schade, namelijk de staat, partijen of organisaties die de staat beheersen of niet-overheidsactoren waartegen de staat of deze partijen geen bescherming kunnen of willen bieden. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 24 augustus 2018.
10.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM bij gedwongen terugkeer naar Algerije. De enkele verklaring van eiser dat hij heeft te vrezen voor zijn familie is daarvoor onvoldoende. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat het in beginsel mogelijk is om bij problemen bescherming te krijgen van de Algerijnse autoriteiten en eiser heeft niet onderbouwd waarom dat dit in zijn geval niet kan. Uit het nader gehoor volgt dat eiser niet naar de politie of hogere autoriteiten is gegaan naar aanleiding van de problemen die hij met zijn familie heeft ondervonden. Uit de omstandigheid dat eiser eerder door de Algerijnse rechtbank in het gelijk is gesteld in een geschil met zijn familie, heeft verweerder mogen afleiden dat eiser wel degelijk hulp en bescherming kan inroepen van de Algerijnse autoriteiten. Dat de politie niet tegen de familie van eiser zou optreden, omdat zijn oom daar met zijn connecties en geld invloed op kan uitoefenen op de autoriteiten, heeft eiser evenmin aannemelijk gemaakt. Ook heeft eiser – ondanks zijn toezegging daartoe – nagelaten zijn asielrelaas met nadere stukken te onderbouwen.
Niet verzocht om bescherming in Frankrijk of Spanje
11. Tot slot overweegt de rechtbank dat verweerder in zijn voornemen van 7 mei 2024 heeft opgemerkt dat eiser na zijn vertrek uit Algerije eerst in Frankrijk en Spanje heeft verbleven zonder daar om internationale bescherming te verzoeken.
Conclusie
12. Gelet op voorgaande, komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen als ongegrond. De rechtbank geeft eiser dus geen gelijk. Daarmee is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand.
13. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
WI 2014/10 Integrale geloofwaardigheidstoets; inhoudelijke beoordeling (asiel).
Artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn.
Artikel 6 van de Kwalificatierichtlijn.
Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2815.