Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-21
ECLI:NL:RBDHA:2024:23457
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,064 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.8838
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. A. Jankie),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres om uitstel van vertrek.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 22 augustus 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 februari 2023 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2. De rechtbank heeft het beroep op 30 mei 2024 op zitting behandeld. Eiseres, mevrouw M.K. Abashidze (tolk) en de gemachtigden van eiseres en verweerder hebben aan de zitting deelgenomen.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1984 en heeft de Georgische nationaliteit. Namens haar is op 20 juni 2022 een aanvraag ingediend om uitstel van vertrek.
4. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat niet is gebleken dat eiseres medisch gezien niet in staat is om te reizen of dat bij uitzetting sprake zal zijn van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM.
Wat vindt eiseres in beroep?
5. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. De ziekte van eiseres kan alleen behandeld worden in het LUMC. In Georgië of ergens anders in Europa is er geen behandeling mogelijk. Verder is relevante informatie van de specialist van eiseres niet betrokken dan wel op onjuiste wijze geduid in het BMA-advies. Bij uitzetting naar Georgië is er wel sprake van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM, omdat er dan een medische noodsituatie zal ontstaan.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank geeft eiseres in deze zaak geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
7. Verweerder verleent uitstel van vertrek als de vreemdeling medisch gezien niet in staat is om te reizen of er een reëel risico bestaat op schending van artikel 3 van het EVRM om medische redenen.
8. Niet wordt betwist dat eiseres medisch gezien in staat is om te reizen en dat er geen medische voorziening noodzakelijk is. Centraal staat dus de vraag of er bij uitzetting van eiseres sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM om medische redenen.
9. Volgens verweerders beleid is er alleen sprake van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM als uit het BMA-advies blijkt dat achterwege blijven van de medische behandeling waarschijnlijk zal leiden tot een medische noodsituatie en als de noodzakelijke medische behandeling in het land van herkomst niet beschikbaar is of bij beschikbaarheid daarvan aantoonbaar niet toegankelijk is. Van een medische noodsituatie is sprake als de vreemdeling lijdt aan een aandoening en waarbij wetenschappelijk vaststaat dat achterwege blijven van behandeling binnen een termijn tot zes maanden lijdt tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade.
9.1.
Verweerder heeft niet ten onrechte geconcludeerd dat er voor eiseres bij uitzetting naar Georgië geen sprake zal zijn van een medische noodsituatie. De rechtbank overweegt als eerst dat – zoals door de hoogste bestuursrechter is geoordeeld – het advies van het BMA is aan te merken als deskundigenadvies aan verweerder en verweerder hier in beginsel vanuit mag gaan, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies.
9.2
De conclusie van het BMA-advies luidt dat bij het uitblijven van een medische behandeling dit niet zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn, omdat het vervangen van gezond bot door ziek bot een langzaam proces betreft. Op lange termijn zal het leiden tot toename van pijnklachten. Niet is gebleken dat de relevante informatie van de medisch specialist niet is betrokken of op onjuiste wijze is geduid. Anders dan eiseres meent volgt uit het BMA-advies expliciet dat sprake is van een chronische botziekte die pijn veroorzaakt. Een levenslange behandeling is nodig en er is geen permanente genezing mogelijk. Verweerder mocht daarom uitgaan van de juistheid van het BMA-advies.
9.3.
Het standpunt dat op korte termijn wel sprake zal zijn van een medische noodsituatie – met daarbij een beroep op de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 22 november 2022 – slaagt niet. Het Hof heeft geoordeeld dat er ook sprake kan zijn van schending van artikel 4 van Handvest als bij terugkeer naar land van herkomst waar geen passende behandeling beschikbaar er sprake is van een geleidelijke toename van pijn, waarbij die toename pas na een bepaalde tijd aanzienlijk en onherstelbaar wordt. Weliswaar blijkt uit de stukken dat de pijnklachten op lange termijn zullen toenemen, maar niet is gebleken dat – zoals het Hof heeft overwogen en vereist – deze pijn bij terugkeer naar het land van herkomst aanzienlijk en onherstelbaar zal zijn. Het beroep op de uitspraken van de Afdeling van 15 juli 2022 en 27 oktober 2022 slagen om die redenen evenmin.
10. Nu verweerder heeft mogen concluderen dat er geen medische noodsituatie op korte termijn zal ontstaan, had hij niet toe hoeven komen aan de vraag of de relevante behandelmethoden beschikbaar, dan wel voldoende toegankelijk zijn in Georgië. Verweerder mocht gelet op voorgaande aan eiseres een terugkeerbesluit opleggen en het uitstel van vertrek afwijzen.
Conclusie
11. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk. Daarmee is haar beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 64 van de Vreemdelingenwet (Vw).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Paragraaf A3/7.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
Leids Universitair Medisch Centrum.
Bureau Medische Advisering.
Paragraaf A3/7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
Paragraaf A3/7.1.3 van de Vc.
Zie noot 7.
Zie onder meer uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2013:826).
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 november 2022 (X), ECLI:EU:C:2022:913.
Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
Uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2023.
Uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3102.