Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-17
ECLI:NL:RBDHA:2024:23425
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,988 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.17493
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Erik),
en
de Minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. T. Pourjalili).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 26 september 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiser heeft in eerste instantie beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 4 juni 2024 alsnog beslist op deze aanvraag en de aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Het beroep van eiser tegen het niet tijdige beslissen op zijn asielaanvraag richt zich ook tegen het besluit van 4 juni 2024.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Fawzy als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1996, heeft de Jordaanse nationaliteit en heeft een Palestijnse herkomst. Hij heeft het volgende aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd. In 2019 is eiser in Israël gaan werken omdat hij in Jordanië werd gediscrimineerd vanwege zijn herkomst. De stam waar eiser toe behoort en zijn familie zijn hier achter gekomen en hebben eiser verstoten en hem als verrader bestempeld. Als gevolg daarvan wil zijn stam hem doden. Eiser vreest bij terugkeer naar Jordanië te worden gedood.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft drie relevante elementen uit het asielrelaas van eiser herleid. De relevante elementen van identiteit, nationaliteit en herkomst en discriminatie (vanwege zijn Palestijnse herkomst) worden geloofwaardig gevonden. Het relevante element over de problemen met de stam wordt niet geloofwaardig gevonden. Hiervoor werpt verweerder eiser tegen dat hij tegenstrijdig en inconsistent heeft verklaard. Zo is het tegenstrijdig dat eisers familie hem verstoten heeft, maar hem nog wel langere tijd onderdak en ondersteuning heeft geboden. Het document waarin zou staan dat eiser is verstoten en gedood moet worden beschrijft volgens verweerder ook alleen de familieband met de stam. De door eiser overgelegde documenten zijn daarbij niet authentiek. Verder heeft eiser de gronden van zijn asielrelaas zoals aangegeven in het nader gehoor niet genoemd in het aanmeldgehoor. De geloofwaardig bevonden relevante elementen leiden niet tot vluchtelingschap in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Ook is het niet aannemelijk dat eiser een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Jordanië. Eiser heeft zijn vrees niet aannemelijk kunnen maken. Verweerder ziet ook geen reden om, ondanks de door eiser aangevoerde klachten, uitstel van vertrek om medische redenen te geven.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser stelt voorop dat verweerder ten onrechte het werken in Israël niet als zelfstandig element vastgesteld. Verder heeft verweerder ten onrechte de problemen met de stam ongeloofwaardig bevonden. Er is formeel afstand gedaan door het gezin maar er werd alsnog heimelijk hulp geboden. Eiser heeft hierover niet tegenstrijdig verklaard omdat is gemeld dat zijn familie hem alleen heeft verstoten om verdere problemen met de stam te voorkomen. Ook klopt de invulling van verweerder van het ingebrachte document niet en onderschrijft het eisers verklaring juist wel. Daarnaast is er geen rekening gehouden met zijn referentiekader. Verder kan eiser niet worden tegengeworpen dat hij zijn asielmotieven in het aanmeldgehoor niet heeft benoemd en door dit wel te doen handelt verweerder in strijd met beleid. Eiser stelt voorts dat hij wel in zijn bestaansmogelijkheden is beperkt en dat het onmogelijk is voor hem om te functioneren in Jordanië. Verweerder heeft ten onrechte alle aangevoerde omstandigheden niet in samenhang beoordeeld bij de risico-inschatting. Tot slot heeft eiser medische stukken overgelegd en moet worden beoordeeld of er niet alsnog sprake is van uitstel op grond van medische redenen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag
5. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 26 december 2023 is verstreken en dat eiser verweerder bij brief van 2 april 2024 heeft medegedeeld dat verweerder in gebreke is tijdig een besluit te nemen. Hierna zijn er meer dan twee weken verstreken voordat eiser op 22 april 2024 beroep heeft ingesteld.
6. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder bij het besluit van 4 juni 2024 alsnog op de aanvraag van eiser heeft beslist. Volgens vaste rechtspraak betekent dit dat eiser geen belang meer heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank verklaart het beroep, voor zover dat gericht is tegen het niet tijdig beslissen daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
7. Aangezien de wettelijke beslistermijn is overschreven en verweerder pas na overschrijding van deze termijn een besluit heeft genomen, veroordeelt de rechtbank verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,50 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde per punt van € 875,- met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is omdat het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreven.
8. Nu het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is verklaard zal de rechtbank het beroep tegen het uiteindelijk genomen besluit verder inhoudelijk behandelen.
Het beroep tegen het alsnog genomen besluit – de afwijzing van de aanvraag
Relevante elementen
9. Werkinstructie (WI) 2014/10 schrijft voor dat de eerste stap van de beoordeling het identificeren en vaststellen van de relevante elementen is. Een relevant element is een feit of omstandigheid dat raakt aan tenminste één onderwerp of verhaallijn en die in verband staat met vluchtelingschap of artikel 3 van het EVRM. Feiten en omstandigheden kunnen onderscheiden worden in gegevens die zien op de vreemdeling als persoon (denk onder andere aan identiteit, nationaliteit en geloofsovertuiging) en gebeurtenissen die zich volgens de vreemdeling in het land van herkomst hebben voorgedaan. Verder is het van belang om de kern van het asielverzoek te identificeren, welke bestaat uit de feiten, omstandigheden en/of gebeurtenissen die in verband staan met de definitie van vluchtelingschap dan wel vrees voor een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Daarbij dient bedacht te worden dat een asielverzoek gebaseerd kan zijn op meerdere elementen, die al dan niet los van elkaar kunnen staan.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om het werken in Israël als een op zichzelf staand relevant element aan te merken. Eiser heeft weliswaar het werk in Israël meermaals genoemd, maar hij heeft dit steeds gerelateerd aan de gevolgen die het heeft gehad met de stam dan wel de ondervonden discriminatie in zijn eigen land, welke beide zijn opgenomen als relevante elementen. Bovendien heeft eiser niet gesteld dat hij door zijn werk in Israël problemen heeft ondervonden met de Jordaanse autoriteiten.
Problemen met de stam
10. Uit de door eiser overgelegde verklaring van de stam – en de vertaling daarvan door de tolk ter zitting – blijkt dat deze verklaring een zogeheten ‘onschuldigverklaring’ betreft. De stam verklaart daarin dat deze is opgesteld vanwege eisers werkzaamheden in Israël en dat de stam niets meer met eiser te maken wil hebben, zich wil distantiëren van zijn daden in het verleden en voor de toekomst en dat stamleden geen contact meer mogen hebben met eiser. Anders dan eiser heeft aangevoerd blijkt uit deze verklaring niet dat hij vogelvrij is verklaard of dat de stam eiser dood wil hebben. Dat dit wel het geval zou zijn blijkt ook overigens niet uit het dossier. Daarbij heeft verweerder mogen tegenwerpen dat eisers verklaring dat hij na de stamverklaring nog gedurende twee jaar in het huis van zijn ouders heeft gewoond ongerijmd is met de verklaring van eiser dat zijn ooms ongeveer 15 keer een huiszoeking hebben verricht op zoek naar eiser terwijl deze tot niets hebben geleid. Voor zover eiser heeft willen stellen dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat verweerder uit het gehoor en de meegegeven Google-vertaling de inhoud van de verklaring had kunnen afleiden, wordt dit standpunt niet gevolgd. Het is aan eiser om een beëdigde vertaling van overgelegde documenten aan te leveren. Een Google-vertaling is niet afdoende.
Conclusie
15. De rechtbank verklaart het beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag niet-ontvankelijk.
15. Het beroep voor zover dat is gericht tegen het alsnog genomen besluit is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
17. Omdat verweerder te laat een besluit heeft genomen, veroordeelt de rechtbank verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn vastgesteld op € 437,50.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep voor zover gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag ongegrond;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 437,50,- aan proceskosten aan de gemachtigde van eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van
P.J.J. Schaap, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw (Vreemdelingenwet 2000).
Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb (Algemene wet bestuursrecht)
Zie artikel 64 van Vw.
Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3348.
Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Zie ook paragraaf C1/4.4. van de Vc (Vreemdelingencirculaire)
Zie WI 2014/10, paragraaf 3.1.
Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Zie WI 2014/10, paragraaf 3.2.1.1.
Zie verslag nader gehoor, pag. 16.