Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-19
ECLI:NL:RBDHA:2024:23411
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,884 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.17541
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. Y. Mateo Diaz),
en
de Minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit.
1.2.
Met het besluit van 29 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd omdat hij zich onrechtmatig in Nederland ophield. Hierbij is eiser aangezegd dat hij binnen vier weken moet terugkeren naar een land buiten Nederland, het grondgebied van de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte en Zwitserland. In het geval van eiser is dit naar Suriname.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De gemachtigde van eiser heeft voorafgaand aan de zitting aangegeven dat eiser en hijzelf niet op zitting zullen verschijnen. Vervolgens heeft verweerder desgevraagd toestemming gegeven om de uitspraak buiten zitting af te doen. De rechtbank heeft daarom de zaken niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.
Beoordeling
2. Eiser heeft een onderbouwd verzoek gedaan om vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. De rechtbank wijst dit toe, zodat eiser in deze procedure is vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van griffierecht.
3. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht een terugkeerbesluit heeft opgelegd aan eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen?
5.1.
Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder de beschikking in strijd heeft genomen met de artikelen 3:2, 3:4, 3:46 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu deze met onvoldoende zorgvuldigheid is voorbereid en niet, althans onvoldoende, is gemotiveerd. Volgens eiser heeft verweerder bij het opleggen van het terugkeerbesluit onvoldoende rekening gehouden met zijn persoonlijke belangen. Eiser heeft verweerder medegedeeld dat hij beschikt over een Belgisch (weliswaar verlopen) verblijfsdocument en dat hij rechtmatig verblijf heeft in een land binnen de Europese Unie. Eiser was bezig met het verlengen van zijn paspoort zodat hij met een geldig paspoort zijn verdere verblijf in Nederland dan wel België kon regelen. Volgens eiser heeft verweerder onvoldoende vragen gesteld over zijn persoonlijke omstandigheden waardoor hij zijn persoonlijke situatie niet heeft kunnen vertellen aan verweerder.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser deugdelijk in de gelegenheid is gesteld om tijdens het gehoor van 29 maart 2024 zijn zienswijze op het terugkeerbesluit kenbaar te maken. Eiser heeft zelf aangegeven volledig mee te gaan werken aan zijn terugkeer. Ook heeft hij verklaard na het opmaken en uitdraaien van zijn verhoor dat zijn paspoort door zijn tante is meegenomen naar Suriname. Dit met de bedoeling om in Suriname een verlenging aan te vragen. Het paspoort ligt nu bij zijn moeder in Suriname. In het proces-verbaal van gehoor is ook te lezen dat eiser heeft verklaard dat hij graag geholpen wil worden om terug te keren.
5.3.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat er voor verweerder geen aanleiding bestond om meer of diepere vragen te stellen. Het had op de weg van eiser gelegen om meer informatie te geven. Het terugkeerbesluit is zorgvuldig tot stand gekomen. De beroepsgrond slaagt niet.
Is het terugkeerbesluit in strijd met artikel 8 EVRM en de belangenafweging?
6.1.
Eiser doet een beroep op artikel 8 van het EVRM omdat hij een familieleven heeft in Nederland. Hierdoor kan hij niet terugkeren naar Suriname. Eiser heeft een partner met de Nederlandse nationaliteit en zal op grond hiervan een aanvraag doen voor verblijf bij zijn partner. Daarnaast heeft eiser recentelijk vernomen dat hij vader is geworden van een Nederlands kind.
6.2.
De rechtbank constateert dat eiser tijdens het gehoor heeft verklaard dat hij 15 maanden een verblijfsrecht heeft gehad in België en dat zijn verblijfsvergunning niet is verlengd. Eiser logeert bij zijn oom in Nederland en zijn vader woont in België. Op de vraag of eiser familieleden of kinderen in Nederland of enig ander land van de Europese Unie heeft waarvoor hij moet zorgen antwoordt eiser het volgende: “Ik heb niemand waar ik voor moet zorgen. Ik heb wel heel veel overige familie en vrienden in Nederland en België wonen. Dit is ook de reden waarom ik hier wil zijn en niet in Suriname. Mijn moeder woont in Suriname. Mijn Zus woont in Brazilië. Als ik terug moet naar Suriname kan ik bij mijn moeder verblijven”. Dit samenstel van factoren heeft verweerder tot de conclusie kunnen brengen dat het opleggen van het terugkeerbesluit geen strijd oplevert met artikel 8 van het EVRM. Verweerder had ook niet hoeven doorvragen. Het is aan eiser om als het over familie- en gezinsleven dan wel privéleven gaat, om zelf de relevante omstandigheden naar voren te brengen. Eiser heeft daartoe de gelegenheid gekregen, gelet op de gestelde vragen. Dat in beroep is gesteld dat eiser een partner heeft die in verwachting is en op [datum] 2025 is uitgerekend en dat hij de ongeboren vrucht heeft erkend, maakt voorgaande niet anders nu de rechtbank het besluit toetst aan de feiten en omstandigheden die ten tijde van het besluit bekend waren (ex tunc toetsing). Verweerder heeft terecht besloten om het terugkeerbesluit op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Voor vergoeding van een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr.C. Simonis, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 62 van de Vreemdelingenwet 2000.
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.