Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-20
ECLI:NL:RBDHA:2024:23403
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,284 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL24.43236
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
Bij besluit van 7 oktober 2024 (het bestreden besluit), uitgereikt op 8 oktober 2024, heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw op
4 november 2024 van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen K. Lazar. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Het onderzoek ter zitting is geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen nadere inlichtingen te verstrekken. Bij brief van 13 november 2024 heeft verweerder nadere inlichtingen verstrekt. Namens eiser is een reactie ingediend. Vervolgens is het onderzoek, met toestemming van partijen, zonder nadere zitting gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op 5 mei 1969.
2.1
Eiser meent dat het terugkeerbesluit van 13 juli 2023 dat aan de maatregel van bewaring ten grondslag is gelegd niet aan de eisen voldoet. Eiser wijst hierbij op het arrest [naam] van 17 oktober 2024 van het Hof van Justitie van de Europese Unie1. Verweerder heeft ten tijde van het opleggen van het terugkeerbesluit noch later bezien of uit de
1 C‑156/23 ( [naam] ), ECLI:EU:C:2024:892
uitvoering van het terugkeerbesluit een schending van het beginsel van non-refoulement voortvloeit. Zonder een dergelijke beoordeling kan geen sprake zijn van een volledig rechtsgeldig terugkeerbesluit. Omdat een rechtsgeldig terugkeerbesluit ontbreekt is de bewaring onrechtmatig.
2.2
De rechtbank stelt met eiser vast dat verweerder in het kader van de terugkeerprocedure nog geen beoordeling heeft gemaakt op de vraag of uit de uitvoering van het terugkeerbesluit een schending van het beginsel van non-refoulement voortvloeit. Volgens verweerder kan dat zo nodig nog aan de orde komen bij de feitelijke uitzetting. Daargelaten de vraag of dat het juiste moment is, bezien in het licht van het [naam] -arrest, is de rechtbank in dit geval van oordeel dat gelet op eisers intrekking van zijn asielaanvraag, op basis van het dossier en op basis van wat ter zitting is besproken, niet is gebleken dat uit de uitvoering van het terugkeerbesluit een mogelijke schending van het beginsel van non- refoulement voortvloeit. Dat eiser in het vertrekgesprek van 8 oktober 2024 heeft aangegeven dat hij een asielaanvraag in Ter Apel zal indienen als hij vrij komt biedt onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat van dergelijke omstandigheden sprake is. Naar het oordeel van de rechtbank kan het terugkeerbesluit van 13 juli 2023 vooralsnog dan ook aan de maatregel van bewaring ten grondslag worden gelegd.
3.1
Eiser stelt zich verder op het standpunt dat geen sprake is van een rechtsgeldig besluit tot oplegging van de bewaring. Eiser wijst er in dit verband op dat het besluit van 7 oktober 2024 is ondertekend met een zogenaamde “natte” handtekening. Eiser meent dat deze werkwijze niet meer voldoet, omdat verweerder ook de mogelijkheid heeft om documenten digitaal te ondertekenen en in het geval van een “natte” handtekening het tijdstip van ondertekening niet kan worden gecontroleerd.
3.2
Een rechtsgeldige maatregel van bewaring komt ingevolge artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 pas tot stand als deze is gedagtekend, ondertekend en met redenen is omkleed. Een maatregel van bewaring treedt verder pas in werking als deze is uitgereikt. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 juli 20182.
3.3
In een door verweerder overgelegd memo van 21 oktober 2024, opgesteld en ondertekend door [de persoon] , die ook de maatregel van bewaring heeft getekend, is – voor zover hier van belang – het volgende weergegeven:
“Op 7 oktober 2024 heb ik de bewaringsmaatregel van de [eiser] omgezet. Ik heb de [eiser] om 11:30 gesproken. De [eiser] wilde echter niet met mij spreken (zie hiervoor M110). Ik heb na afloop van het gesprek aangegeven dat ik de bewaringsmaatregel ging opleggen en dat ik later op de dag langs zou komen om het besluit in persoon uit te reiken.
(…)
Toen ik naar de afdeling ging om de maatregel uit te reiken bleek de [eiser] al rond 14-15 uur naar Rotterdam te zijn vertrokken.
(…)
Vervolgens is de maatregel van bewaring inclusief het informatieblad op 7 oktober 2024 per fax naar de gemachtigde verzonden en naar DT&V Rotterdam om dit aan de [eiser] uit te reiken. Uit de mail van DT&V van 8
2 ECLI:NL:RVS:2018:2278
oktober 2024 blijkt dat het besluit aan de [eiser] is uitgereikt.”
3.4
De rechtbank is allereerst van oordeel dat ondertekening van de maatregel van bewaring met een “natte” handtekening, naast een elektronische handtekening, nog altijd een mogelijkheid blijft. De rechtbank ziet niet in waarom dat niet langer zou kunnen. De rechtbank is verder van oordeel dat de maatregel van bewaring rechtsgeldig aan eiser is uitgereikt. Dit heeft eiser ook niet met zoveel woorden betwist. Eiser heeft wel opgemerkt dat de uitleg over de uitreiking had moeten worden neergelegd in een ambtsedig proces- verbaal. De rechtbank vindt echter dat verweerder met de eerder vermelde memo en toelichting op zitting voldoende heeft uitgelegd hoe de uitreiking heeft plaatsgevonden.
4.1
In deze zaak is verder van belang dat het dossier een document “Model M113 Opheffing van een maatregel als bedoeld in artikel 59b Vreemdelingenwet” bevat. Dit document is getekend en gedateerd op 7 oktober 2024 en uitgereikt op 8 oktober 2024. Dit stuk roept daarmee de vraag op op welk moment de voorafgaande maatregel van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw is beëindigd. Niet is in geschil dat de huidige maatregel op 8 oktober 2024 is opgelegd.
4.2
Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich in dit geval terecht op het standpunt dat het model M113, zoals volgt uit paragraaf A5/2.1 van de Vreemdelingencirculaire, een intern ambtelijk document is, waarin wordt vastgelegd dat een maatregel op een bepaalde dag is opgeheven. Het is geen besluit tot beëindiging van een maatregel. Voor de rechtbank is hierbij leidend dat in het geval van een daadwerkelijke beëindiging van een maatregel van bewaring de feitelijke handeling van de vrijlating maakt dat de maatregel is opgeheven, daarbij is dan niet van belang of er ook een model M113 is opgemaakt, laat staan of dit is uitgereikt. In dit geval zijn de maatregel van bewaring en het model M113 op 7 oktober 2024 opgemaakt en op 8 oktober 2024 uitgereikt aan eiser. Op dat moment eindigde de voorafgaande maatregel van bewaring en trad de huidige maatregel in werking.
5. Naar aanleiding van het gesprek op zitting heeft eisers gemachtigde laten weten dat hij niet betwist dat de aanvraag tot het verstrekken van een laissez passer in een algemeen rappel bij de Algerijnse autoriteiten is betrokken. Hieruit leidt de rechtbank af dat eiser zich niet op het standpunt stelt dat verweerder de voorbereiding van de uitzetting onvoldoende voortvarend ter hand neemt.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
20 november 2024
Documentcode: DSR42765618
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.