Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-24
ECLI:NL:RBDHA:2024:23392
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,107 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/1586
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M.L.M. Klinkhamer),
en
de minister van Financiën, verweerder
(gemachtigde: mr. [naam] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van verweerder om een tweetal private schulden van eiseres te compenseren.
1.1.
Met het primaire besluit van 14 juni 2023 heeft de Dienst Toeslagen geweigerd de schulden van eiseres te compenseren. Met het bestreden besluit van 18 januari 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder daarbij gebleven.
1.2.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 26 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde ouder ten gevolge van de toeslagenaffaire. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) komen gedupeerden in aanmerking voor compensatie of overname van hun private geldschulden als die voldoen aan de voorwaarden van de Wht. Het compenseren dan wel betalen van de (afgeloste) private geldschulden wordt uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN).
2.1.
Eiseres heeft verzocht om compensatie van haar private schulden bij de gemeente Den Haag en Vestia Wonen. De Dienst Toeslagen heeft bepaald dat de schulden niet worden gecompenseerd, omdat deze niet voldoen aan de voorwaarden van de Wht.
2.2.
Verweerder heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Hij stelt dat de schulden van eiseres niet voor betaling in aanmerking komen. De schuld bij de gemeente Den Haag is volgens verweerder geen private schuld en kan daarom niet worden getoetst aan de voorwaarden van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht. De schuld bij Vestia Wonen voldoet niet aan de voorwaarde van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht. Eiseres is het hier niet mee eens.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres betoogt dat de schuld aan Vestia Wonen wel dateert uit de periode voor 1 juni 2023, althans gedeeltelijk. Dat het gaat om een latere afrekening doet hier niet aan af. De schuld die is ontstaan uit de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) wordt door de gemeente Den Haag helaas niet kwijtgescholden, omdat het een bedrijfskapitaal is dus een publieke schuld/lening. Eiseres valt hierdoor tussen wal en schip. Dit kan niet de bedoeling zijn geweest van de wetgever. Het doel was om mensen een schone lei te verschaffen.
Wat zijn de regels?
4. Op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht neemt verweerder een geldschuld over als deze:
- is ontstaan na 31 december 2005 (onderdeel a);
- vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden (onderdeel b); en
- niet is voldaan op het moment dat de aanvraag wordt gedaan (onderdeel c).
Schulden die in ieder geval niet worden overgenomen, zijn resterende hoofdsommen van leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden.
4.1.
Op grond van artikel 4.3, eerste lid, van de Wht verleent verweerder aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel op aanvraag compensatie voor een afgeloste geldschuld die op grond van artikel 4.1 voor overneming in aanmerking zou komen als deze niet voldaan was.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de schuld aan de gemeente Den Haag is aan te merken als een publieke schuld, omdat de gemeente Den Haag een overheidsinstantie betreft. Publieke schulden komen niet voor overneming door SBN in aanmerking, omdat publieke schulden niet onder Hoofdstuk 4 van de Wht, getiteld ‘Overneming en betaling privaatrechtelijke schulden’ vallen. Wel kunnen deze schulden op grond van Hoofdstuk 3 van de Wht, getiteld ‘Kwijtschelding bestuursrechtelijke schulden’ voor kwijtschelding in aanmerking komen. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, Wht scheldt het college van burgemeesters en wethouders schulden kwijt die verband houden met de Participatiewet. In het geval van eiseres ligt deze bevoegdheid dus bij de gemeente Den Haag zelf. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder terecht heeft geweigerd de schuld van de gemeente Den Haag over te nemen. Dat de gemeente Den Haag geen aanleiding heeft gezien om de schuld kwijt te schelden, maakt dat niet anders.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de schuld van Vestia Wonen terecht niet heeft overgenomen, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht. Uit het dossier blijkt dat de betaalde schuld aan Vestia Wonen toeziet op de eindafrekening van de servicekosten over de periode 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021. De factuur heeft eiseres op 23 februari 2022 van Vestia Wonen ontvangen. Deze factuur is daarna in termijnen door eiseres betaald. De rechtbank stelt vast dat op 1 juni 2021, gelet op de factuur van 23 februari 2022, de vordering dus nog niet bestond. Er kan daarom geen sprake zijn van een vóór 1 juni 2021 opeisbaar geworden schuld.
5.2.
Hoewel het voor eiseres wellicht niet eerlijk voelt dat haar schulden niet worden betaald en zij het idee heeft dat zij tussen wal en schip valt wat betreft de Tozo-schuld, laat dit onverlet dat de regeling voor het betalen van schulden niet tot doel heeft om gedupeerden volledig te vrijwaren van betalingsverplichtingen. Uit de memorie van toelichting bij de Wht volgt dat de regeling voor het overnemen van private schulden bedoeld is om gedupeerde ouders zo veel mogelijk kans te bieden op een nieuwe start. Doordat alleen de opeisbare betalingsachterstanden en hoofdsommen worden overgenomen, wordt beoogd te voorkomen dat een gedupeerde in de problemen komt door incassomaatregelen.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de Belastingdienst/Toeslagen.
Zoals bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wht.
Artikel 78f van de Participatiewet.
Dit geldt ten aanzien van andere dan hypothecaire leningen, zie artikel 4.1, vierde lid, onder b, van de Wht.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 38.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 38.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 43 en 45.