Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-26
ECLI:NL:RBDHA:2024:2328
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,978 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.1222 en NL24.1224
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2024 in de zaak tussen
[eiseres 1] , v-nummer: [nummer 1] , eiseres 1
mede namens haar minderjarige kinderen
[naam 1]
, v-nummer: [nummer 2] ,
[naam 2]
, v-nummer: [nummer 3] ,
[naam 3]
, v-nummer: [nummer 4] ,
[naam 4]
, v-nummer: [nummer 5] ,
en
[eiseres 2]
, v-nummer: [nummer 6] , eiseres 2
samen: eisers
(gemachtigde: mr. J. Oosterhof),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
(gemachtigde: mr. A.J. Rossingh).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet-ontvankelijk verklaren van hun asielaanvragen. Eisers stellen van Somalische nationaliteit te zijn. Zij hebben op 2 oktober 2023 een aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De staatssecretaris heeft met de bestreden besluiten van 4 januari 2024 deze aanvragen niet-ontvankelijk verklaard, omdat de Roemeense autoriteiten aan eisers internationale bescherming hebben verleend van
29 november 2022 tot 23 mei 2026.
1.1.
De rechtbank heeft de beroepen, samen met de zaken NL24.1223 en NL24.1225, op 31 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de staatssecretaris deelgenomen.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de staatssecretaris terecht de asielaanvragen van eisers niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
3. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het bestreden besluit
4. De staatssecretaris heeft de asielaanvragen van eisers niet-ontvankelijk verklaard omdat uit Eurodac blijkt dat Roemenië eisers internationale bescherming heeft verleend van 29 november 2022 tot 23 mei 2026. Hieruit kan volgens de staatssecretaris worden afgeleid dat de Roemeense autoriteiten de intentie hadden om eisers te beschermen. Van eisers mag worden verwacht dat zij hun rechten die voortvloeien uit de verblijfstatus in Roemenië zelf effectueren en hiervoor voldoende inspanning verrichten. Ook kunnen eisers zich bij problemen wenden tot de daartoe bevoegde hogere Roemeense autoriteiten. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat voor Roemenië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel of dat Roemenië zijn verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het EVRM en artikel 3 Antifolterverdrag niet naleeft.
Kan de staatssecretaris voor Roemenië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eisers betogen dat zij bij terugkeer naar Roemenië in een situatie terechtkomen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Eiseres 1 en haar kinderen zijn veroordeeld tot een leven op straat, de twee oudste kinderen van eiseres 1 hebben in Roemenië geen toegang tot onderwijs en één van haar zoons wordt adequate zorg geweigerd.
5.1.
Eén van de zoons van eiseres 1 heeft passende (medische) hulp nodig (hierna: de zieke zoon), maar een arts in Roemenië wilde geen (nader) onderzoek doen naar de psychische gesteldheid van de zieke zoon en zijn lichamelijke beperkingen. Eiseres 1 heeft vervolgens bij meerdere personen en instanties medische zorg voor haar zieke zoon gevraagd (waaronder “OM”, een instantie vergelijkbaar met het Nederlandse Centraal Orgaan opvang asielzoekers) maar ook deze instantie heeft haar niet geholpen. Hierdoor is het eisers niet gelukt om hun (andere) rechten die uit hun verblijfstatus voortvloeien te effectueren.
5.2.
Eiseres 1 heeft in Roemenië gewerkt, maar kon dit niet volhouden, omdat zij haar zieke zoon niet alleen kon laten. Zij kon daarom de huur van hun woning niet meer betalen. Zij is vervolgens met haar kinderen in een huis getrokken waar ook andere Somaliërs woonden, maar daar zijn ze uitgezet toen haar zieke zoon door zijn ziekte voor problemen zorgde. Eiseres 1 had dan ook geen werk en geen (betaalbare) huisvesting. Daarnaast hadden haar zieke zoon en de oudste twee kinderen geen toegang tot onderwijs. Dat is in strijd met het IVRK. Eisers verwijzen ook naar het “2022 Country Reports on Human Rights Practices” van het United States Department of State van 20 maart 2023 waaruit blijkt dat statushouders in Roemenië problemen ondervinden bij de integratie waaronder de toegang tot opleiding, begeleidingsprogramma’s etcetera.
5.3.
Eisers hebben hulp gevraagd maar die is uitgebleven. Zij hebben over dit uitblijven van hulp geklaagd, maar met hun klachten is niets gedaan. Eisers betogen dat zij geen klacht kunnen indienen bij de daartoe bevoegde Roemeense (hogere) autoriteiten en ook geen hulp en ondersteuning kunnen vragen bij het indienen van een dergelijke klacht, omdat zij niet voldoende geschoold zijn en zij de Roemeense taal niet machtig zijn, terwijl zij geen hulp van een tolk kunnen krijgen. Van eisers kan niet worden verwacht worden dat zij (zonder tolk) bij hogere instanties klagen.
6. De rechtbank stelt voorop dat statushouders aan hun internationale beschermingsstatus de rechten kunnen ontlenen die aan hen zijn toegekend in de Kwalificatierichtlijn en het Vluchtelingenverdrag. In de Kwalificatierichtlijn zijn normen vastgesteld voor de inhoud van de internationale bescherming die een lidstaat van de Europese Unie (EU) aan onderdanen van derde landen verleent en de verplichtingen die dit voor de statusverlenende lidstaat (in dit geval Roemenië) met zich brengt. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de staatssecretaris er in beginsel van uitgaan dat Roemenië die verplichtingen nakomt. Het is aan eisers om aannemelijk te maken dat dit in hun geval niet zo is en dat in Roemenië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat eisers daar een reëel risico zullen lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Roemenië een reëel risico lopen op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. De staatssecretaris stelt allereerst terecht dat uit de verklaringen van eisers niet blijkt dat zij in Roemenië geen toegang hadden tot huisvesting. Eisers hebben juist verklaard dat de Roemeense autoriteiten hen geholpen hebben aan een woning. Zij hebben hier ongeveer drie maanden gewoond, maar doordat eiseres 1 de huur niet kon betalen zijn eisers met andere Somaliërs in een ander huis gaan samenwonen. Door een ruzie zijn zij door die medebewoners uit huis gezet. De staatssecretaris stelt terecht dat hieruit blijkt dat de Roemeense autoriteiten de intentie hadden eisers bescherming te bieden. Ook blijkt uit de verklaringen van eiseres 1 dat zij werk had. Zo verklaart eiseres 1 dat zij de afwas deed in een restaurant en ook het huishouden van gezinnen deed.
6.2.
Wat betreft de medische zorg voor de zieke zoon hebben eisers verklaard dat hij een medisch onderzoek heeft gehad en dat zij voor nadere medische zorg moesten wachten. Uit deze verklaringen blijkt niet dat eisers geen toegang hadden tot medische zorg. Ook stelt de staatssecretaris zich op zitting terecht op het standpunt dat er geen documenten zijn overgelegd waaruit blijkt dat de zieke zoon in Roemenië niet met zijn medische situatie wordt geholpen. De staatssecretaris heeft zich op de zitting ook terecht op het standpunt gesteld uit AIDA-rapport blijkt dat er in Roemenië mogelijkheden zijn voor zorgbehoevende kinderen. Ook hebben eisers niet nader onderbouwd op grond waarvan de staatssecretaris aanleiding had moeten zien om de medische situatie van de zieke zoon te onderzoeken. Om die reden had de staatssecretaris geen aanleiding hoeven zien nader onderzoek te doen naar de medische situatie van de zieke zoon. Hiermee is niet gebleken dat de zieke zoon bij terugkeer naar Roemenië zal belanden in een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM of het IVRK.
6.3.
Wat betreft het betoog van eisers dat de oudste twee kinderen in Roemenië geen onderwijs hebben genoten, heeft de gemachtigde van de staatssecretaris zich op de zitting op het standpunt gesteld dat de verslagen van de aanmeldgehoren van eiseres 1 en eiseres 2 (ook) zo kunnen worden gelezen dat eisers hebben verklaard dat zij in Roemenië nooit aan onderwijs hebben deelgenomen omdat ze niet waren ingeschreven. Dat is anders dan staat in het bestreden besluit, namelijk dat ze bij een school waren ingeschreven, maar moesten wachten. Eisers hebben terecht betoogd dat dat laatste niet is wat zij hebben verklaard. Zo heeft eiseres 2 verklaard dat ze nooit naar school is geweest en dat ze meent dat dat was omdat ze niet ingeschreven stond. Eiseres 1 heeft verklaard dat haar jongste twee kinderen onderwijs hebben gehad en dat zij met haar dochter naar een school is gegeven, maar dat zij niet ingeschreven kon worden. Dit betekent dat sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren omdat eisers door dit gebrek niet zijn benadeeld.
Conclusie
8. De staatssecretaris heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en het niet-ontvankelijk verklaren van de aanvragen in stand blijft.
8.1.
Gezien het onder 6.3 geconstateerde gebrek in de motivering van het bestreden besluit krijgen eisers wel een vergoeding voor hun proceskosten. De staatssecretaris moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.750,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Europees systeem voor de vergelijking van vingerafdrukken van asielzoekers.
In lijn met artikel 30a, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.
AIDA Country report: Romania 2022 update, van mei 2023, p.107-108.