Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-16
ECLI:NL:RBDHA:2024:22989
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,056 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.28392
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en
de Minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’ in het kader van de Verblijfsregeling Mensenhandel.
1.1.
In het bestreden besluit van 15 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij deze afwijzing gebleven.
1.2.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Eiseres is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
2. De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich de dag voorafgaand aan de zitting om 16.59 uur afgemeld.
Beoordeling
3. De rechtbank stelt vast dat alle beroepsgronden die in deze zaak door de gemachtigde van eiseres zijn aangevoerd al in eerdere procedures bij deze rechtbank naar voren zijn gebracht en dat de rechtbank in die eerdere procedures steeds heeft geoordeeld dat de beroepsgronden niet slagen.1 In één van de zaken heeft de Afdeling de motivering van de uitspraak van de rechtbank overgenomen, waarin wordt uitgelegd waarom de in die zaak aangevoerde beroepsgronden niet slagen.2 Het ligt op de weg van (de gemachtigde van) eiseres om uit te leggen waarom deze eerder gegeven oordelen in andere procedures in het geval van eiseres anders zouden moeten luiden. Aangezien eiseres en haar gemachtigde niet op de zitting zijn verschenen, heeft de rechtbank deze vraag niet aan hen kunnen voorleggen en is er dus geen toelichting op de beroepsgronden gekomen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om in het geval van eiseres anders te oordelen dan in de eerdere procedures is gedaan.
1. Zie onder meer de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van: 2 oktober 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:14338; 17 december 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:14239; 27 mei
2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:15806; 1 september 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:16425. En zie onder meer de uitspraken van andere zittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag van: 17 augustus 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:4132; 5 juni 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:4094,
2 Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3358.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Kersten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 december 2024
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.