Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-19
ECLI:NL:RBDHA:2024:22948
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
679 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.31372
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [v-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. M.B. Ullah),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker hangende bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker.
1.1.
Verweerder heeft de voorzieningenrechter bericht zich niet te verzetten tegen toewijzing van het verzoek.
1.2.
Beide partijen hebben toestemming verleend om de zaak buiten zitting af te doen.
Beoordeling
2. Bij brief van 4 november 2024 heeft verweerder aangegeven dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening. Nu tussen partijen niet in geschil is dat van uitzetting van verzoeker vooralsnog behoort te worden afgezien, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening als kennelijk gegrond toe te wijzen en verweerder te verbieden verzoeker uit te zetten, totdat op het bezwaarschrift is beslist.
3. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:84, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelezen in samenhang met artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
4. Ook bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht van € 184,- moet vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe in die zin dat verweerder de uitzetting van verzoeker achterwege laat totdat op het bezwaar is beslist;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 875,-;
- bepaalt dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht van € 184,- moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Drageljević, griffier.
Dictum
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht.