Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-15
ECLI:NL:RBDHA:2024:2289
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,043 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/731
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 februari 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J.F. Cheung),
en
Dienst Toeslagen, voorheen Belastingdienst/Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: mr. [naam] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar gericht tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
1.1.
Verweerder heeft op 1 maart 2022 definitief beschikt op het verzoek om compensatie kinderopvangtoeslag. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar gericht tegen dit besluit.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Verweerder heeft op 1 maart 2022 definitief beschikt op het verzoek om compensatie kinderopvangtoeslag en heeft eiser een compensatie toegekend van € 36.934. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt op 19 mei 2022, ontvangen door verweerder op 25 mei 2022. Op 29 december 2022 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld en op 24 januari 2023 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift.
Wat vinden partijen in beroep?
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is, omdat er geen geldige ingebrekestelling aan het beroep ten grondslag ligt. Ten tijde van de ontvangst van de ingebrekestelling op 29 december 2022 beschikte verweerder namelijk nog niet over de bezwaargronden, zodat er geen heroverweging als bedoeld in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kon plaatsvinden. Verweerder kon daarom niet op het bezwaar van eiser beslissen. Verweerder verwijst daarbij naar de uitspaak van de Centrale Raad van Beroep van 12 mei 2021. Op zitting heeft verweerder hier aan toegevoegd dat voor zover het beroep wel ontvankelijk is, artikel 4:17, derde lid, van de Awb buiten toepassing moet worden gesteld.
3.1.
Eiser stelt dat de ingebrekestelling wel geldig is. Verweerder had eerst de dossierstukken moeten toesturen alvorens eiser zijn bezwaargronden kon aanvullen. De verwijzing naar de uitspraak van 12 mei 2021 gaat niet op, omdat deze zaak ingewikkelder is en het in dit geval niet mogelijk is om zonder dossierstukken bezwaargronden in te dienen. Eiser stelt verder dat verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk kan verklaren indien het bezwaarschrift niet voldeed aan de vereisten.
Wat is het wettelijk kader?
4. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld, zodat daartegen op grond van artikel 8:1 van de Awb beroep kan worden ingesteld.
4.1.
Op grond van artikel 6:12, eerste lid, van de Awb is het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet aan een termijn gebonden.
Op grond van het tweede lid van dit artikel kan het beroepschrift worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank stelt voorop dat de dwangsom bij niet tijdig beslissen op grond van artikel 4:17 en volgende van de Awb is bedoeld als middel om tijdige besluitvorming af te dwingen. Verweerder kon in deze zaak niet overgaan tot de volgens artikel 7:11 van de Awb verlangde integrale heroverweging van het besluit van 1 maart 2022 zonder eerst kennis te nemen van de door de gemachtigde aangekondigde aanvullende gronden. Het was aan eiser om bezwaargronden in te dienen.
6. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de gronden van bezwaar pas kon indienen na ontvangst van het persoonlijk dossier. Bij de definitieve beschikking op het verzoek om compensatie kinderopvangtoeslag is de berekening en een toelichting daarop bijgevoegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met deze toelichting voldoende aanknopingspunten om de gronden van het bezwaar aan te vullen. De rechtbank merkt daarbij op dat eiser op 23 februari 2023 wel aanvullende bezwaargronden heeft ingediend, terwijl het persoonlijk dossier toen ook nog niet was ontvangen. Er is ook geen wettelijke grondslag voor het standpunt dat eiser niet kan worden gehouden gronden in te dienen totdat het dossier in de door eiser gewenste vorm is verstrekt. Indien eiser van mening is dat hij onvoldoende onderliggende stukken heeft, dan kan hij dit aanvoeren in zijn bezwaargronden. Het feit dat verweerder de mogelijkheid heeft om een termijn te stellen voor het indienen van de gronden en het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren als deze wordt overschreden, doet aan het voorgaande niet af. Deze mogelijkheid voorkomt weliswaar de ontstane patstelling, maar dit laat onverlet dat deze handelwijze onder deze omstandigheden niet in het belang van eiser en een zorgvuldige behandeling van het bezwaar zou zijn. Daarbij kon eiser eveneens de patstelling doorbreken door alvast (een deel van) de inhoudelijke gronden in te dienen die konden worden geformuleerd op grond van het beschikbare dossier. Het is immers mogelijk deze gronden tijdens de bezwaarprocedure aan te vullen indien aanvullende informatie beschikbaar komt.
7. Op 29 december 2022 heeft verweerder de ingebrekestelling ontvangen. Op die datum kon verweerder echter - vanwege het ontbreken van gronden - nog geen inhoudelijk besluit nemen op het bezwaar. Dat betekent dat de ingebrekestelling prematuur is ingediend. Op basis van een premature ingebrekestelling kan geen beroep wegens niet tijdig beslissen worden ingediend. Het beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
8. Het voor het eerst ter zitting ingenomen standpunt van verweerder dat artikel 4:17 van de Awb buiten toepassing moet worden gelaten, zal, gelet op het hiervoor gegeven oordeel, niet besproken worden.
Conclusie
9. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. C.M. van den Berg, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:CRVB:2021:1105.