Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-19
ECLI:NL:RBDHA:2024:2284
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
1,769 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/749
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 februari 2024 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] te [land] , verzoeker
en
De Nationale ombudsman, verweerder
(gemachtigde: K. Vaalburg).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de verlenging van de weigering als gemachtigde bij alle handelingen die verband houden met verzoeken op grond van de Wet open overheid (Woo).
1.1.
Bij besluit van 25 juli 2023 is door verweerder bijstand of vertegenwoordiging door verzoeker geweigerd voor duur van zes maanden. Met het bestreden besluit van 24 januari 2024 heeft verweerder de weigering met zes maanden verlengd tot en met 25 juli 2024. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
3. Bij besluit van 25 juli 2023 is eiser door verweerder geweigerd als gemachtigde bij procedures en verzoeken die verband houden met de Wet open overheid. Reden hiervoor is dat er naar het oordeel van verweerder sprake is van misbruik van recht door verzoeker. Een eerder verzoek om een voorlopige voorziening tegen de oorspronkelijke weigering is door de voorzieningenrechter van deze rechtbank afgewezen. Omdat de omstandigheden ongewijzigd zijn gebleven, en verzoeker zich volgens verweerder nog altijd grievend uitlaat en gedraagt jegens (medewerkers van) de Nationale ombudsman, is de weigering bij besluit van 24 januari 2024 met een halfjaar verlengd. Verzoeker stelt dat de verlenging van de weigering onrechtmatig is, en dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd. Hij verzoekt de voorzieningenrechter daarom om het bestreden besluit te schorsen totdat op zijn bezwaar is beslist.
Beoordeling
4. Bij brief van 15 februari 2024 heeft verzoeker verzocht deze zaak ter verdere behandeling door te verwijzen naar de rechtbank Midden-Nederland. Dit met het oog op de betrokkenheid van deze rechtbank bij de zaak. Dat deze rechtbank ook verschillende beroepen van verzoeker behandelt die qua inhoud en strekking raken aan het hier voorliggende verzoek om een voorlopige voorziening is daarvoor geen reden. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding de zaak door te verwijzen.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang van verzoeker bij deze procedure voldoende is gegeven. De (verlenging van de) weigering maakt dat het voor verzoeker als gemachtigde niet mogelijk om op termijn nieuwe procedures te starten dan wel zich als gemachtigde te stellen in lopende procedures waarin hij een rol wenst te spelen. Dat volgens verweerder de enige procedure waarin verzoeker optreedt als gemachtigde het bezwaar is gericht tegen het hier voorliggende weigering maakt dat, wat hier verder ook van zij, niet anders.
6. De (on)rechtmatigheid van het bestreden besluit valt in belangrijke mate samen met het al dan niet bestaan van misbruik van recht. Het geschil spitst zich dan ook wederom toe op de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoeker misbruik van recht kan worden verweten bij het indienen van verzoeken op grond van de Woo. Indien zou worden geoordeeld dat verweerder dit ten onrechte aan verzoeker tegenwerpt, zou immers de grondslag aan het bestreden besluit komen te ontvallen, terwijl in het geval verweerder dit terecht tegenwerpt, de kans groot is dat het bestreden besluit in stand kan blijven.
7. Eerder is door de voorzieningenrechter al overwogen dat deze vraag niet eenvoudig kan worden beantwoord en zich daarom niet leent voor een beoordeling in een voorlopige voorzieningenprocedure. Inmiddels heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank reeds een aantal beroepen behandeld op 13 december 2023, waarvan de vraag of al dan niet sprake is van misbruik van recht ook onderdeel uitmaakt. De voorzieningenrechter komt gelet op die samenhang en de complexiteit van de hier voorliggende rechtsvraag niet toe aan een inhoudelijk rechtmatigheidsoordeel. De voorzieningenrechter zal zich daarom beperken tot een belangenafweging om te bepalen of het verzoek om een voorlopige voorziening al dan niet moet worden toegewezen.
8. De voorzieningenrechter overweegt dat bij partijen in wezen dezelfde belangen spelen als ten tijde van de aanvankelijke weigering. De voorzieningenrechter heeft toen overwogen dat het belang van verweerder om totdat in rechte duidelijk wordt of al dan niet sprake is van misbruik van recht, geen (veelheid aan) procedures te hoeven behandelen waarin het misbruik mogelijk doorwerkt, zwaarder weegt dan het belang van verzoeker. Dit omdat het belang van verzoeker bij de gevraagde voorziening niet dermate spoedeisend is omdat de Woo-verzoeken die verzoeker als gemachtigde begeleidt naar hun aard niet bijzonder spoedeisend zijn en niet is gebleken dat verzoeker financieel afhankelijk is van het voeren van die procedures. Daar komt bij dat het rechtmatigheidsoordeel van de meervoudige kamer van deze rechtbank over het vermeende misbruik van recht aanstaande is. Voor zover het verzoeker te doen is om zo snel mogelijk een rechtmatigheidsoordeel over het vermeende misbruik te verkrijgen, geeft de voorzieningenrechter hem in overweging dat verzoeker dit mede zelf in de hand heeft. De verschillende wrakingsverzoeken die verzoeker in de beroepszaken bij deze rechtbank tot dusver heeft gedaan hebben daarop namelijk hun weerslag.
Conclusie
9. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
10. Verzoeker krijgt het door hem betaalde griffierecht niet terug en voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.D.A. Mantingh, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 2:2 van de Awb.
Artikel 4.6 van de Woo.
Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, van 4 oktober 2023, (ECLI:NL:RBDHA:2023:17644).
Op grond van artikel 46b van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Zaaknummers SGR 23/5312, SGR 23/1926 en SGR 23/2936.