Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-01
ECLI:NL:RBDHA:2024:22836
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,096 tokens
Dictum
[klager] ,
geboren op [geboortedatum] 1995,
voor deze zaak woonplaats kiezende op het kantoor van zijn advocaat mr. W.K. Cheng, Knollenstraat 7A, 1013 TL Amsterdam,
hierna: de klager.
1Inleiding
Naar aanleiding van een Europees Onderzoeksbevel (hierna: EOB) van de Duitse autoriteiten, is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek op 20 juni 2024 beslag gelegd op een personenauto, te weten een Mercedes-Benz C180 AMG (VIN nummer: [VIN nummer] ).
De klager heeft op 15 juli 2024 bij deze rechtbank een beklag ex artikel 552a Sv ingediend, strekkende tot teruggave van het voormelde goed.
Procesverloop
De rechtbank heeft dit beklag op 18 juli 2024 in raadkamer behandeld en heeft kennis genomen van het dossier met bovengenoemd diasnummer.
De klager, bijgestaan door mr. W.K. Cheng, is gehoord.
Ook is de officier van justitie, mr. L.T. Bregman, is gehoord.
3Het standpunt van klager
De raadsman van de klager heeft zich op het standpunt gesteld dat de inbeslaggenomen auto niets te maken heeft met het strafrechtelijk onderzoek zoals genoemd in het Duitse EOB. De klager is geen verdachte in het Duitse strafrechtelijk onderzoek, zijn auto stond ter reparatie bij de garage van de verdachte. Het inbeslaggenomen voertuig is volgens de raadsman van de klager niet in verband te brengen met enig strafbaar feit. Om die reden verzoekt de raadsman om de teruggave van de inbeslaggenomen auto te gelasten.
4Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beklag ongegrond moet worden verklaard. Hiertoe is aangevoerd dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave, nu de Duitse autoriteiten om overdracht van het goed hebben gevraagd.
Volgens de officier van justitie doen er zich geen weigeringsgronden voor en is de doorzoeking rechtmatig geschied.
Hoewel de inbeslaggenomen auto niet specifiek in het EOB is benoemd, stond deze wel in de garage waar de onderzoekshandelingen op basis van het EOB werden verricht. Daarmee ziet de officier van justitie genoeg reden om het voertuig als bewijsmateriaal zoals omschreven in het EOB aan te merken.
Tevens voert de officier van justitie aan dat uit onderzoek is gebleken dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van het betreffende voertuig, en dat uit de navigatie blijkt dat de auto onlangs in Duitsland is geweest.
De officier van justitie ziet geen reden om het beklag gegrond te verklaren.
Beoordeling
5.1
De bevoegdheid van de rechtbank
De bevoegdheid van de rechtbank tot kennisneming van het beklag vloeit voort uit artikel 552a, vierde lid, Sv. Er is geen vervolging ingesteld tegen de klager, zodat bevoegd is de rechtbank van het arrondissement binnen hetwelk de inbeslagneming is geschied, zijnde Den Haag.
5.2
De ontvankelijkheid van klager
Ingevolge artikel 5.4.10 Sv moet een beklag tegen inbeslagname naar aanleiding van een EOB binnen veertien dagen na kennisgeving van het rechtsmiddel worden ingediend bij de rechtbank.
Na de beslaglegging op 20 juni 2024 is aan de raadsman op 4 juli 2024 voormelde kennisgeving verstrekt. De klager heeft vervolgens binnen de termijn van veertien dagen zijn klaagschrift ingediend bij de rechtbank, zodat hij kan worden ontvangen in zijn beklag.
5.3
De inhoudelijke beoordeling
De rechtbank stelt vast dat de Duitse autoriteiten een EOB hebben uitgevaardigd in het kader van een onderliggend strafrechtelijk onderzoek in Duitsland. Dit EOB is door de officier van justitie erkend en tenuitvoergelegd. In raadkamer heeft de officier nader toegelicht waarom de auto dient te worden overgedragen aan de Duitse autoriteiten.
Bij de beoordeling van een klaagschrift dat is ingediend op grond van artikel 5.4.10 lid 1 Sv in verbinding met artikel 552a Sv is het volgende van belang (zie de beschikking van de Hoge Raad van 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1940.)
Het systeem van het EOB is gestoeld op het beginsel van wederzijdse erkenning. Dat brengt met zich dat de ruimte om af te zien van erkenning en tenuitvoerlegging van een EOB beperkt is. Alleen als één van de in Richtlijn 2014/41/EU opgenomen weigeringsgronden van toepassing is, wordt erkenning en uitvoering van een EOB geweigerd. Het is aan de uitvaardigende staat om te beoordelen of er grond bestaat een EOB uit te vaardigen. Ook is het aan de uitvaardigende staat om te bepalen welke onderzoeksbevoegdheid het meest geschikt is voor de bewijsverkrijging en of de toepassing van die bevoegdheid proportioneel is gelet op de ernst van het strafbare feit. De materiële gronden voor het uitvaardigen van het EOB kunnen alleen in de uitvaardigende staat worden aangevochten.
Bij de behandeling van het klaagschrift dat is ingediend op grond van artikel 5.4.10 lid 1 Sv in verbinding met 552a Sv doet de rechter geen onderzoek naar de gronden voor het uitvaardigen van het EOB, waarvan de uitvoering heeft geleid tot indiening van het klaagschrift. De rechter toetst, mede gelet op artikel 5.4.7 lid 1 Sv, ook niet de proportionaliteit van de inbeslagneming en van de daarop volgende overdracht van voorwerpen die het bewijsmateriaal vormen waarop het EOB betrekking heeft. Het staat wel ter beoordeling aan de beklagrechter of de in beslag genomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en die de uitvaardigende autoriteit beoogt te verkrijgen en of zich een grond voordoet – gelet op de artikelen 5.4.3, 5.4.4 en 5.4.6 Sv –voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB, dan wel voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Hierbij is van belang dat het te verkrijgen bewijsmateriaal in het EOB globaal mag zijn omschreven. De rechter kan in voorkomende gevallen ook beoordelen of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB, rechtmatig is toegepast. De rechter moet zich daarbij beperken tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Verweren die raken aan de rechtmatigheid van het voortduren van het beslag moeten, gelet op het beginsel van wederzijdse erkenning, door de rechter van de uitvoerende staat buiten beschouwing worden gelaten.
Bij de beoordeling van een klaagschrift dat betrekking heeft op inbeslagneming op grond van een EOB is – anders dan wanneer het gaat om de beoordeling van een klaagschrift dat betrekking heeft op inbeslagneming die ten behoeve van een Nederlandse strafzaak heeft plaatsgevonden – niet de vraag aan de orde of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Aan het systeem van het EOB ligt immers ten grondslag dat met de uitvaardiging van een EOB het belang van strafvordering in de uitvaardigende staat wordt verondersteld aanwezig te zijn.
De rechtbank stelt vast dat de Duitse autoriteiten een EOB hebben uitgevaardigd in het kader van een lopend strafrechtelijk onderzoek. Dit EOB is door de officier van justitie erkend en tenuitvoergelegd. De inzet van de bevoegdheid op grond van artikel 94 Sv is naar Nederlands recht rechtmatig geschied en er doen zich geen weigeringsgronden op grond van artikel 5:4:4 Sv voor.
De rechtbank constateert dat de inbeslaggenomen auto bewijsmateriaal betreft waarop het EOB betrekking heeft en die de Duitse autoriteiten met het bevel ook beoogden te verkrijgen.
Hetgeen door klager en zijn raadsman naar voren is gebracht aangaande de persoonlijke belangen bij teruggave van het inbeslaggenomen voertuig kan, gelet op het hiervoor overwogene, niet leiden tot gegrondverklaring van het beklag.
Gelet op vorenstaande moet het beklag ongegrond worden verklaard.
Dictum
De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.
Aldus gedaan te Den Haag door mr. K.C.J. Vriend, rechter, in tegenwoordigheid van B.M. Boxma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 augustus 2024.
Deze beslissing is ondertekend door de rechter en de griffier.