Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-17
ECLI:NL:RBDHA:2024:22792
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,327 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/178
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2024 in de zaak tussen
Stichting Animal Rights, uit Den Haag, eiseres
(gemachtigde: mr. P.H. den Boer),
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit), verweerder
(gemachtigde: mr. P.E. van der Werf).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [bedrijfsnaam] B.V., uit Tilburg (derde-partij)
(gemachtigde: F.Th.M. Peters).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de gedeeltelijke afwijzing van het Woo-verzoek van eiseres.
1.1.
Verweerder heeft dit verzoek met het besluit van 26 juni 2023 gedeeltelijk afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 november 2023 op het bezwaar van eiseres is verweerder daarbij gebleven.
1.2.
Verweerder heeft gereageerd met een verweerschrift. De derde-partij heeft ook schriftelijk gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: R. van Roij namens eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van verweerder, en de gemachtigde van de derde-partij.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft met haar Woo-verzoek gevraagd om openbaarmaking van alle publieke informatie over de door de NVWA uitgevoerde inspecties en andersoortige controles en bezoeken bij de derde-partij in de periode 1 augustus 2022 tot en met 9 maart 2023. Verweerder heeft drie documenten gevonden die onder het verzoek vallen: interne e-mailwisseling van 20 en 21 oktober 2022 tussen NVWA-medewerkers, een inspectielijst en een Excel-document naar aanleiding van een inspectie van 12 december 2022 (de jaarlijkse audit). Verweerder heeft deze documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt. Verweerder heeft geweigerd de andere delen van deze drie documenten openbaar te maken ter beveiliging van personen en bedrijven en ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Verweerder heeft onterecht informatie geweigerd ter beveiliging van personen en bedrijven en om sabotage te voorkomen.De door verweerder aangehaalde uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 28 december 2022, en de daarin gegeven richtlijnconforme uitleg van deze weigeringsgrond, zijn hier niet relevant. In die uitspraken ging het namelijk om dierproeven-projecten. Voor dat soort projecten moet een niet-technische samenvatting (NTS) worden gepubliceerd op grond van artikel 43 van de Dierproevenrichtlijn. De informatie waarom eiseres heeft gevraagd gaat niet over dierproeven-projecten. Voor een dierproeven-project is namelijk een projectvergunning vereist. Eiseres heeft nu juist gevraagd om informatie over de derde-partij en die kan geen projectvergunning aanvragen, omdat zij geen instellingsvergunning voor dierproeven heeft. De derde-partij heeft alleen een vergunning om dieren te verhandelen.
Verder heeft de Afdeling al in 2017 geoordeeld dat artikel 43 van de Dierproevenrichtlijn alleen gaat over de NTS. De uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 september 2024 is daarom onjuist.
3.1.
Nu er verder ook nergens uit blijkt dat er een acute dreiging is, had verweerder de documenten volledig openbaar moeten maken. Dit zeker ook, omdat bij een recent besluit van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) niet is verwezen naar de Dierproevenrichtlijn. RVO valt net als de NVWA onder de verantwoordelijkheid van verweerder en dus had de NVWA niet afwijkend mogen beslissen.
Daarnaast zijn het aantal vergunde dieren, de plek waar ze worden gehouden, en de diersoorten die worden gehouden emissiegegevens. Deze gegevens mogen sowieso niet worden geweigerd op grond van de Woo, ook niet als wel sprake zou zijn van een uitzonderingsgrond.
3.2.
Tot slot vindt eiseres dat, als de weigeringsgrond van artikel 5.1., tweede lid, aanhef en onder h, van de Woo (beveiliging van personen en bedrijven en voorkomen van sabotage) al mocht worden toegepast, verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door ook het toegestane aantal dieren en de herkomst van de dieren weg te lakken. Het is niet duidelijk waarom openbaarmaking van deze informatie een gevaar inhoudt.
Wat vindt de derde-partij in beroep?
4. Tijdens de zitting heeft de derde-partij verduidelijkt dat zij aansluit bij het standpunt van verweerder. Zij heeft niet zelf beroep ingesteld. Verder heeft de derde-partij op de zitting uitgelegd dat er geen harde grens is tussen een leverancier en een projectvergunninghouder, omdat zij samen een keten vormen. De leverancier levert binnen een project waarvoor een projectvergunning nodig is. De dieren die bij de derde-partij binnenkomen hebben vaak meteen een bestemming; zij zijn al gekoppeld aan een project. Daardoor is er in de meeste gevallen een link te leggen met een specifiek project en op die manier met de projectvergunninghouder.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank stelt voorop dat artikel 43 van de Dierproevenrichtlijn erop is gericht de transparantie over dierproeven te vergroten, maar zonder dat daarbij bepaalde (bedrijfs)vertrouwelijke gegevens en namen en adressen van de vergunninghouder en zijn personeel bekend worden gemaakt. Daarom schrijft artikel 43 van de Dierproevenrichtlijn voor dat voor ieder project een anonieme NTS wordt gepubliceerd. In artikel 43 van de Dierproevenrichtlijn wordt een risico voor de veiligheid van de vergunninghouder, zijn personeel en zijn eigendommen verondersteld.
5.1.
Toepassing van de Woo op documenten uit een projectvergunningsdossier mag niet leiden tot een situatie waarin het nuttig effect van artikel 43 van de Dierproevenrichtlijn niet wordt gewaarborgd. Toepassing van de Woo mag dus niet leiden tot een verplichting om alsnog gegevens openbaar te maken die volgens de NTS anoniem moeten blijven, of die ertoe kunnen leiden dat de NTS is te herleiden tot de vergunninghouder of zijn personeel.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat het Woo-verzoek van eiseres gaat over één met naam genoemde houder van een instellingsvergunning voor het mogen afleveren van proefdieren, die niet (ook) een projectvergunninghouder is. Het Woo-verzoek gaat niet rechtstreeks over documenten uit een projectvergunningsdossier, die ten grondslag liggen aan de NTS.
5.3.
De vraag rijst of toepassing van de Woo in dit geval leidt tot een situatie waarin het nuttig effect van artikel 43 van de Dierproevenrichtlijn niet wordt gewaarborgd, ook al gaat het niet om documenten uit een projectvergunningsdossier, die ten grondslag liggen aan de NTS. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en zij legt hierna uit waarom dat zo is.
5.4.
Deze rechtbank heeft eerder al geoordeeld dat de beperking van openbaarheid uit artikel 43 van de Dierproevenrichtlijn verder kan reiken dan alleen documenten uit het projectvergunningsdossier die ten grondslag liggen aan de NTS. De Afdeling oordeelde namelijk dat de Woo richtlijnconform moet worden uitgelegd, om het nuttig effect van artikel 43 van de Dierproevenrichtlijn te waarborgen in een zaak die mede ging over documenten over welzijnsrapporten en eventuele communicatie met de Instantie voor Dierenwelzijn. Dit zijn documenten die naar hun aard kunnen zien op informatie die beschikbaar komt tijdens het uitvoeren van dierproeven en dus ná verlening van een projectvergunning en ná het opstellen van de NTS.
5.5.
Over informatie van de derde-partij heeft deze rechtbank ook al eerder geoordeeld. De derde-partij moet jaarlijks de in bijlage 7 bij de Dierproevenregeling 2014 genoemde gegevens over het voorafgaande kalenderjaar aan verweerder verstrekken. Er bestaat overlap tussen deze jaarlijkse rapportage aan verweerder en de gegevens die in het kader van een projectvergunning moet worden verstrekt. Vanwege deze overlap, en omdat uit de achtergrond van artikel 43 van de Dierproevenrichtlijn volgt dat anonimiteit van de vergunninghouder moet worden gewaarborgd om redenen van veiligheid, kan artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder h, van de Woo ook richtlijnconform worden uitgelegd bij een verzoek om informatie over de jaarlijkse rapportage van de derde-partij (een leverancier als bedoeld in de Dierproevenrichtlijn).
5.6.
De informatie waarom eiseres in deze zaak heeft verzocht overlapt niet met gegevens die in het kader van een projectvergunning moet worden verstrekt. Op de zitting heeft verweerder erkend dat de gegevens op geen enkele wijze herleidbaar zijn tot de projectvergunninghouder of de NTS. Het zijn dan ook geen gegevens als bedoeld in artikel 43 van de Dierproevenrichtlijn.
De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat overweging 41 van de preambule bij de Dierproevenrichtlijn een zelfstandige grondslag is voor de weigering om documenten in kwestie openbaar te maken. Het betreft immers slechts een overweging in de preambule en geen bepaling van de Richtlijn.
Conclusie
7. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de datum van deze uitspraak.
7.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder tevens in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,-;
draagt verweerder op het griffierecht van € 371,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.T. van Bruggen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wet open overheid.
Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.
Artikel 5.1., tweede lid, aanhef en onder h, van de Woo.
Artikel 5.1., tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo.
Zie voetnoot 3.
Uitspraken van de Afdeling van 28 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3973 en ECLI:NL:RVS:2022:3980.
Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PB 2010, L 276), zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2019/1010 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 (PB 2019, L 170) (Dierproevenrichtlijn). Het gaat om artikel 43 van de Dierproevenrichtlijn.
Uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:680.
Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:14897.
Uitspraak van de Afdeling van 28 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3980.
Zie voetnoot 9.
Zie voetnoot 10.
Uitspraak van de Afdeling van 28 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3980.
Zie voetnoot 9.