Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-05
ECLI:NL:RBDHA:2024:22619
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,274 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/1223
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2024 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
Burgemeester en Wethouders van Leiden, verweerder
(gemachtigde: mr. D. Bogers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het verkeersbesluit Jan van Houtkade-Koepoortsbrug van 18 december 2023; herinrichting.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 7 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder. Tevens zijn namens verweerder mevrouw [naam 1], de heer [naam 2] en de heer [naam 3] verschenen.
Beoordeling
2. De rechtbank stelt allereerst vast dat het besluit is genomen met een uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Dit betekent dat een besluit eerst als ontwerp ter inzage wordt gelegd en belanghebbenden dan een zienswijze kunnen indienen.
3. Het gaat in deze zaak over de vraag of het beroep van eiser ontvankelijk is, nu er geen zienswijze door hem is ingediend. Uitgangspunt van artikel 6:13 van de Awb is dat degene die redelijkerwijs kan worden verweten niet te hebben deelgenomen aan de bestuurlijke voorfase, doordat hij geen zienswijze, geen bezwaarschrift of geen administratief beroepschrift heeft ingediend, niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn beroep bij de bestuursrechter. Een uitzondering geldt in de situatie waarin de belanghebbende niet deelnam aan de bestuurlijke voorfase, maar hem dat redelijkerwijs niet verweten kan worden omdat hij een gegronde reden had om tegen het (ontwerp)besluit of tegen bepaalde (ontwerp)besluitonderdelen geen zienswijze, bezwaarschrift of administratief beroepschrift in te dienen.
4. Eiser heeft als reden voor het niet indienen van de zienswijze aangegeven dat, ondanks het ontbreken daarvan in het ontwerp verkeersbesluit eiser per toeval op 5 januari 2023 bekend werd met het voornemen dat de bushaltepaal en de abri aan de Jan van Houtkade zouden worden verplaatst. Omdat eiser het niet eens is met de verplaatsing van de bushalte, heeft eiser op 7 september 2023 inspraak gehad bij de raadscommissievergadering. Op 12 oktober 2023 is er door de ChristenUnie, op initiatief van eiser, een motie ingediend over de verplaatsing van de bushaltepaal en abri. Eiser heeft echter geen zienswijze ingediend, omdat in het ontwerpbesluit niets is opgenomen met betrekking tot de verplaatsing van de bushalte.
5. Verweerder heeft ter zitting bevestigd te zijn vergeten om de verplaatsing van de bushalte in het besluit van 18 december 2023 op te nemen. Gelet daarop heeft verweerder, mede vanwege het beroep van eiser, een separaat verkeersbesluit genomen, waarin de verplaatsing van de bushalte wel is opgenomen.
6. Nu de verplaatsing van de bushalte geen onderdeel was van het (ontwerp)verkeersbesluit dat in deze procedure het onderwerp van geschil is, kon aan eiser redelijkerwijs niet worden verweten dat hij geen zienswijze ingediend. In die zin zou het beroep ontvankelijk zijn. Echter, de rechtbank is van oordeel dat eiser geen procesbelang (meer) heeft bij de beoordeling van dit beroep. Verweerder heeft immers een separaat verkeersbesluit genomen waarin de beoogde verplaatsing van de bushalte wel is opgenomen. Om op te komen tegen de verplaatsing van de bushalte zal eiser rechtsmiddelen moeten aanwenden tegen het Verkeersbesluit van 29 oktober 2024.
7. Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank niet naar de inhoud van de zaak zal kijken.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Als bedoeld in artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).