Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-23
ECLI:NL:RBDHA:2024:22383
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,866 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 23/3366
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2024 in de zaak tussen
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder
en
de Staat der Nederlanden, de minister van Justitie en Veiligheid, de Staat.
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Daarbij is belastingrente vergoed.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 april 2023 de aanslag verminderd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2024.
Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en mr. [naam 2].
Op de zitting is tevens behandeld het beroep met zaaknummer SGR 23/3356. Die procedure betreft de partner van eiser.
Overwegingen
Feiten
1. Eiser heeft op 19 maart 2022 voor het jaar 2021 aangifte IB/PVV (aangifte 1) gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 136.285 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 35.106. De grondslag van het inkomen uit sparen en beleggen van eiser en zijn partner gezamenlijk bedraagt € 1.619.685. Daarbij is gekozen voor een toerekening van € 1.051.100 aan eiser en het restant aan zijn partner.
2. De grondslag sparen en beleggen is als volgt opgebouwd:
Bank- en spaarrekeningen
€ 710.768
Beleggingsrekeningen ING en ASN
€ 121.473
Vorderingen
€ 887.444
Totale waarde bezittingen
€ 1.719.685
Heffingsvrij vermogen eiser
€ 50.000
Heffingsvrij vermogen partner
€ 50.000
Grondslag sparen en beleggen
€ 1.619.685
3. Eiser heeft op 7 augustus 2022 een herziene aangifte (aangifte 2) ingediend waarbij is gekozen voor een herverdeling waarbij € 949.299 van de grondslag sparen en beleggen aan eiser wordt toegerekend en het restant aan zijn partner.
4. De aanslag IB/PVV 2021 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 136.285 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 35.106. Daarbij is uitgegaan van de onderlinge verhouding zoals opgenomen in aangifte 1. De vergoede belastingrente bedraagt € 48.
5. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar is het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verminderd tot € 31.706. Daarbij is de onderlinge verhouding uit aangifte 2 gevolgd en is, met inachtneming van de Wet rechtsherstel box 3, uitgegaan van een forfaitair rendement van 3,34%. De onder 2 genoemde vorderingen (de vorderingen) zijn aangemerkt als ‘overige bezittingen’ in de zin van de Wet rechtsherstel box 3.
Geschil
6. In geschil is of het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen naar een juist bedrag is vastgesteld.
7. Eiser stelt dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen naar een te hoog bedrag is vastgesteld. Het primaire standpunt van eiser luidt dat moet worden aangesloten bij een werkelijk rendement van € 21.894,97. Indien de rechtbank eiser hierin volgt, verzoeken eiser en zijn partner voor een wijziging in de onderlinge verhouding waarbij de gehele grondslag sparen en beleggen aan de partner wordt toegerekend. Het subsidiaire standpunt van eiser luidt dat ter zake van een deel van de vorderingen een te hoog forfaitair redendement in aanmerking is genomen omdat feitelijk sprake is van bij de kinderen gestald spaartegoed.
8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen niet naar een te hoog bedrag is vastgesteld. Volgens verweerder maakt eiser niet aannemelijk dat het werkelijke rendement lager is dan het forfaitair berekende rendement en zijn de vorderingen terecht aangemerkt als overige bezittingen.
Overwegingen
9. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 6 juni 2024 geoordeeld dat ook toepassing van de Wet rechtsherstel box 3 kan leiden tot schending van de door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (EP) in samenhang met artikel 14 van het EVRM gewaarborgde rechten. Een dergelijke schending doet zich voor indien de belastingplichtige geconfronteerd wordt met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijke rendement.
10. In genoemde arresten van 6 juni 2024 zijn regels geformuleerd omtrent de vaststelling van de hoogte van het werkelijke rendement. Bij de vaststelling van het werkelijke rendement:
- dient het nominale rendement op het gehele vermogen van de belastingplichtige in box 3 te worden betrokken, zonder aftrek van het heffingvrije vermogen;
- moet gekeken worden naar het saldo van positieve en negatieve resultaten van de verschillende vermogensbestanddelen in het desbetreffende jaar. Er wordt dus geen rekening gehouden met positieve of negatieve waardeveranderingen in andere jaren;
- wordt niet alleen rekening gehouden met de voordelen die worden getrokken uit vermogensbestanddelen in box 3, zoals rente, dividend en huur, maar ook de positieve en negatieve waardeveranderingen van zulke vermogensbestanddelen. Deze waardeveranderingen behoren ook tot het werkelijke rendement indien de belastingplichtige ze nog niet heeft gerealiseerd;
- kan bij bezittingen geen rekening worden gehouden met kosten;
- kan bij schulden wel rekening worden gehouden met de daarop betrekking hebbende renten.
11. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat eiser aannemelijk maakt dat hij wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijke rendement. Indien hij daarin slaagt dient de betreffende aanslag zodanig te worden verminderd dat alleen nog belasting in box 3 wordt geheven over het werkelijke rendement.
12. Het door eiser gestelde werkelijke rendement van € 21.894,97 ziet voor € 58,63 op de bank- en spaarrekeningen van eiser en zijn partner, voor € 3.180,53 op de beleggingsrekeningen bij ING en ASN en voor € 18.655,81 op de vorderingen. Eiser heeft met jaaroverzichten onderbouwd dat op de bank- en spaarrekeningen in totaal € 58,63 aan rente is ontvangen. Ter zake van de vorderingen heeft eiser leningsovereenkomsten overgelegd waaruit volgt dat € 18.655,81 aan rente is ontvangen. Deze bedragen zijn tussen partijen niet in geschil, zodat de rechtbank zich uitsluitend voor de vraag gesteld ziet of eiser erin is geslaagd om het werkelijke rendement op de beleggingsrekeningen aannemelijk te maken.
13. Met betrekking tot het werkelijke rendement op de beleggingsrekeningen heeft eiser de volgende berekening opgesteld:
Beleggingsrekening ING (eiser)
€
rente
0,00
dividend
1020,10
waardeverandering
-/- 2.408,78
€ -/- 1.388,68
Beleggingsrekening ASN (eiser)
rente
0,19
dividend
277,23
waardeverandering
599,50
€ 876,92
Beleggingsrekening ING (partner)
rente
0,07
dividend
177,50
waardeverandering
2.056,16
€ 2.233,73
Beleggingsrekening ASN (partner)
rente
0,16
dividend
273,75
waardeverandering
1.184,65
€ 1.458,56
Totaal
€ 3.180,53
14. Eiser heeft deze berekening onderbouwd met door de ING en ASN verstrekte jaaroverzichten. Deze overzichten bevatten de waarde van de betreffende beleggingsrekening op 1 januari 2021, de waarde van de betreffende beleggingsrekening op 31 december 2021, het bedrag van eventueel in 2021 ontvangen rente en het bedrag van uitgekeerde dividenden. Daarnaast is door eiser verklaard dat gedurende 2021 geen stortingen of onttrekkingen hebben plaatsgevonden.
15. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser met de berekening, de jaaroverzichten en hetgeen hij heeft verklaard, in de op hem rustende bewijslast geslaagd.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 136.285 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 8,20;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.G. Scholten, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
ECLI:NL:HR:2024:704 en ECLI:NL:HR:2024:705.
Zie Hoge Raad 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704, onderdeel 5.4.
Zie Hoge Raad 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704, onderdeel 5.5.