Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-05
ECLI:NL:RBDHA:2024:22306
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,081 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.45906
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. H. Hassan),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 14 november 2024 niet in behandeling genomen omdat volgens de minister Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 3 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, G. Ali als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
Welke lidstaat is verantwoordelijk voor de asielaanvraag?
4. Eiser voert aan dat de minister in zijn situatie aanleiding had moeten zien om zijn asielaanvraag in behandeling te nemen. Eiser voert daartoe onder meer aan dat hij PTTS heeft als gevolg van een driejarige detentie in Syrië. De behandeling door de Kroatische autoriteiten en zijn detentie aldaar hebben geleid tot herbeleving van zijn trauma’s. Eiser voert aan dat bij overdracht naar Kroatië zijn klachten zullen verergeren en er een risico is op suïcide. Daarbij wijst hij op de brief van de psychiater crisisdienst van Parnassia d.d. 21 november 2024. Volgens eiser is daarom het C.K.-arrest2 van toepassing en had de minister aanleiding moeten zien om het Bureau Medisch Advisering (BMA) om advies te vragen.
5. De minister stelt zich op het standpunt dat behandeling, zo nodig, ook in Kroatië kan plaatsvinden en dat de medische informatie onvoldoende is om het BMA in te schakelen of om aan de voorwaarden uit het C.K.-arrest te voldoen. De minister wijst verder nog op het verslag vertrekgesprek van 26 november 2024, waaruit volgt dat eiser tijdens dit gesprek geen suïcidale uitingen heeft gedaan en dat hij heeft ingestemd met overdracht van zijn medische gegevens bij overdracht aan Kroatië.
6. In de brief van de crisisdienst van 21 november 2024 schrijft de psychiater onder meer dat het suïciderisico op dat moment niet acuut verhoogd wordt ingeschat. Het suïciderisico is wel verhoogd indien eisers situatie definitief uitzichtloos is en hij niet meer in Nederland mag blijven. Eiser staat open voor behandeling, waaronder medicamenteuze behandeling.
7. Ten aanzien van het beroep op het arrest C.K. is de rechtbank van oordeel dat eiser met de overgelegde medische informatie niet heeft onderbouwd dat de overdracht aan Kroatië een reëel en bewezen risico oplevert van een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn medische situatie. De bevindingen van het psychiatrische onderzoek onderbouwen dat niet.
8. De rechtbank ziet wel aanleiding om de minister op te dragen om eiser te laten onderzoeken door het BMA. Uit de stukken blijkt dat eiser PTSS heeft als gevolg van een driejarige detentie in Syrië, waar hij naar eigen zeggen gemarteld is, in elkaar geslagen en psychologisch mishandeld. Eiser verklaart dat zijn detentie en behandeling door de Kroatische grensbewaking heeft geleid tot herbeleving van zijn trauma’s. Eiser verklaart wisselend over het bestaan van plannen om zelfmoord te plegen. Uit zijn patiëntendossier blijkt dat hij op 21 november 2024 verklaart suïcidegedachten te hebben, op 26 november 2024 dat hij geen plannen heeft en op 28 november 2024 dat hij niet meer suïcidaal is. Op zitting verklaart eiser dat hij bij een negatieve beslissing zelfmoord zal plegen. Tegen de achtergrond van eisers angst om overgedragen te worden aan Kroatië, zijn traumatische ervaringen in Syrië die weer naar boven zijn gekomen door zijn detentie in Kroatië, de inschatting van het suïciderisico door de psychiater en eisers wisselende verklaringen over suïcide, bestaat er bij de rechtbank twijfel over de vraag of de overdracht van eiser aan Kroatië zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn medische situatie. Die twijfel moet ertoe leiden dat de minister moet beoordelen wat het risico is dat overdracht leidt tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van eisers medische
situatie en eisers medische situatie moet laten evalueren door het BMA.3 De rechtbank zal het besluit daarom vernietigen wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
9. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister zich onvoldoende heeft vergewist van het risico dat de overdracht van eiser aan Kroatië tot aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen zal leiden voor zijn gezondheidstoestand. De minister had aanleiding moeten zien om het BMA om advies te vragen. Omdat dit niet is gebeurd, is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie
10. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister het BMA om advies moet vragen. Vervolgens moet de minister een nieuw besluit nemen op eisers aanvraag met inachtneming van deze uitspraak.
10.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 875,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.750,-.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 14 november 2024;
draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
veroordeelt de minister tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van
K.F.K. Hoogbruin, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
05 december 2024
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.