Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-23
ECLI:NL:RBDHA:2024:22094
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,577 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht zaaknummer: NL24.33245
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman), en
de Minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Weerman)
Inleiding
1. Bij besluit van 10 juni 2024 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond van Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Het beroep is bij uitspraak van 23 juli 2024 (de bestreden uitspraak) buiten zitting kennelijk ongegrond verklaard1.
1.2.
Verzoeker heeft tegen de bestreden uitspraak verzet ingediend.
1.3.
Op 19 augustus 2024 is aan verzoeker kenbaar gemaakt dat hij op 26 augustus 2024 zal worden overgedragen aan Kroatië. Verzoeker heeft vervolgens om een voorlopige voorziening verzocht met het doel om niet te worden overgedragen en zijn verzet hier te kunnen afwachten. Verweerder heeft een reactie ingediend op dit verzoek.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2. Verzoeker heeft een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is niet in behandeling genomen omdat Kroatië daarvoor verantwoordelijk is. De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. Zij heeft in de bestreden uitspraak – kort samengevat – geoordeeld dat verweerder niet onzorgvuldig heeft gehandeld door gebruik te maken van een standaard voornemen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder de gestelde familieband tussen verzoeker en zijn broer niet heeft moeten onderzoeken, omdat hij deze
1. Zaaknummer NL24.24215.
relatie niet heeft onderbouwd. Als al van de familieband moet worden uitgegaan, dan heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een bijzondere afhankelijkheid tussen hen waardoor zijn overdracht aan Kroatië onevenredig zou zijn.
Wat vindt verzoeker?
3. Verzoeker betoogt dat de rechtbank hem op een zitting had moeten horen, omdat de rechtbank het met hem eens is dat verweerder gebruik heeft gemaakt van een standaard voornemen. De rechtbank oordeelt dat verweerder desondanks zorgvuldig heeft gehandeld omdat in de beschikking inhoudelijk is ingegaan op zijn verklaringen. Maar volgens verzoeker heeft een voornemen hiermee geen feitelijke betekenis meer en wordt hem een instantie ontnomen. Hij heeft hierdoor in zijn zienswijze niet adequaat kunnen reageren op het voornemen.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
4. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist en kan als partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad ook uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd voor een zitting.2
5. Omdat de feitelijke overdracht van verzoeker aan Kroatië gepland staat op 26 augustus 2024, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om spoedeisend belang aan te nemen. De voorzieningenrechter zal dan ook beoordelen of het verzet een redelijke kans van slagen heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de verzetsprocedure niet.
Oordeel
6. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het bij verzet uitsluitend gaat over de vraag of de rechtbank terecht uitspraak heeft gedaan zonder verzoeker op zitting te horen. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht die bij een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan wordt het verzet gegrond verklaard zodat nader onderzoek kan plaatsvinden.
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzet geen redelijke kans van slagen heeft. Dat de rechtbank in de bestreden uitspraak tot het oordeel is gekomen dat verweerder – zoals verzoeker in de beroepsfase heeft betoogd – in het voornemen niet expliciet is ingegaan op zijn verklaringen, betekent niet dat de rechtbank hem alleen daarom al op zitting had moeten horen. In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank kennelijk gemotiveerd waarom zij tot het oordeel komt dat verweerder ondanks het gebruik van een standaard voornemen niet onzorgvuldig heeft gehandeld. Dat verzoeker het niet eens is met de bestreden uitspraak, maakt niet dat de rechtbank verzoeker ten onrechte niet op een zitting heeft gehoord.
2 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 8:83, vierde lid, van de Awb.
8. Verzoeker heeft in verzet verder geen gronden aangevoerd waardoor moet worden getwijfeld aan de uitkomst van de bestreden uitspraak.
Conclusie
9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzet geen redelijke kans van slagen heeft. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
23 augustus 2024
Documentcode: DSR40058856
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.