Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-18
ECLI:NL:RBDHA:2024:22078
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
1,092 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9331
uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 december 2024 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. M. el Idrissi),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: E.H. van den Brink).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de beëindiging van zijn recht op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Verweerder heeft in het besluit van 7 november 2024 bepaald dat verzoeker vanaf 4 november 2024 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering, omdat hij geschikt is voor zijn eigen werk. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Verzoeker voert aan dat hij geen ander inkomen heeft en dat hij zijn financiële verplichtingen niet meer kan nakomen. Verweerder heeft de door hem aangevraagde uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) afgewezen en de gemeente Den Haag heeft te kennen gegeven dat hij geen bijstandsuitkering kan aanvragen omdat hij alleen een postadres heeft.
4. Verweerder geeft aan dat verzoeker zich (wederom) kan wenden tot de gemeente voor een uitkering op grond van de Participatiewet. Volgens verweerder blijkt uit de overgelegde gegevens niet of verzoeker dit heeft gedaan, dan wel dat verzoekers financiële positie dusdanig is dat sprake is van een spoedeisend belang.
5. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker afschriften van zijn betaalrekening in de periode van 24 oktober 2024 tot 24 november 2024 heeft ingediend, waaruit volgt dat verzoeker in die periode een bedrag van € 1.039,78 aan inkomsten heeft ontvangen en een bedrag van € 1.155,55 heeft uitgegeven. Uit de afschriften volgt niet dat verzoeker grote maandelijkse uitgaven heeft, zoals huur. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hier niet uit blijkt dat sprake is van een acute financiële noodsituatie. Verder is het aanvragen van een bijstandsuitkering zonder vaste woon- of verblijfplaats maar met een briefadres mogelijk op grond van artikel 40, eerste lid, van de Participatiewet, zodat ook hierin zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet het spoedeisend belang kan zijn gelegen.
6. De conclusie is dat er geen enkel spoedeisend belang is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Klaus, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.