Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-27
ECLI:NL:RBDHA:2024:22064
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,820 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.45714
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 19 november 2024 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk, en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiser heeft de Ethiopische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1992. Hij heeft op 23 juni 2024 de onderhavige asielaanvraag in Nederland ingediend. Verweerder heeft op 15 juli 2024 een terugnameverzoek aan de Duitse autoriteiten gestuurd. Duitsland heeft dit verzoek geweigerd. Verweerder heeft op 18 juli 2024 een terugnameverzoek aan de Franse autoriteiten gestuurd, omdat eiser op 14 december 2020 in Frankrijk een asielaanvraag heeft ingediend en hij heeft verklaard dat die aanvraag vervolgens is afgewezen. Frankrijk heeft dit terugnameverzoek op 31 juli 2024 aanvaard.
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Beoordeling
Zorgvuldigheid terugnameprocedure
4. Eiser voert in beroep aan dat het terugnameverzoek onzorgvuldig tot stand is gekomen. Daarbij wijst hij erop dat hij in een islamitisch huwelijk is getreden met een vrouw die ook in Nederland verblijft. Dit betoog slaagt niet, alleen al omdat verweerder dit gestelde huwelijk expliciet in het terugnameverzoek aan de Franse autoriteiten heeft vermeld. Dat Frankrijk vervolgens het verzoek heeft aanvaard, zonder zich verantwoordelijk te achten voor de gestelde vrouw en kind, maakt de terugnameprocedure niet onzorgvuldig. Verweerder heeft immers geen verzoek voor vrouw en kind verstuurd, zodat Frankrijk zich daar ook niet over kon uitlaten. Overigens vindt eiser het zelf ook terecht dat er geen terugnameverzoek voor vrouw en kind aan de Franse autoriteiten is verstuurd; hij stelt zich immers op het standpunt dat Nederland verantwoordelijk voor hen is.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser voert in beroep aan dat ten aanzien van Frankrijk niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in onder meer de uitspraken van 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1318, 9 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3737, 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1863, 18 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2472, 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552, en 3 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4011, geoordeeld dat niet is gebleken van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk. Verweerder mag daarom ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan, aldus de Afdeling. In voornoemde uitspraken heeft de Afdeling onder meer het AIDA Country Report: France (update 2021), het AIDA-rapport (update 2022), en het AIDA-rapport (update 2023) betrokken.
5.2.
Eiser heeft in beroep geen landeninformatie overlegd om te onderbouwen dat toch niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hij heeft echter wel in de zienswijze van 23 augustus 2024 op een AIDA-rapport ten aanzien van Frankrijk gewezen. De rechtbank begrijpt dat eiser hiermee doelt op het AIDA-rapport (update 2023). Eiser heeft zijn beroep op dit rapport ter zitting nader toegelicht.
5.2.1.
Zoals eiser onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 20 september 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:17850, terecht betoogt, volgt uit het AIDA-rapport (update 2023), dat vreemdelingen die in het kader van een Dublinoverdracht terugkeren naar Frankrijk moeilijkheden ondervinden bij de toegang tot opvang. Het aantal gehuisveste asielzoekers bleef ver achter bij het aantal personen dat een aanvraag indiende. Van alle asielzoekers die in aanmerking kwamen voor materiële opvang, was 59% daadwerkelijk gehuisvest aan het einde van 2023 (p. 120). Veel opvangfaciliteiten zijn georganiseerd om families of partners op te vangen, waardoor het voor alleenstaande mannen of vrouwen moeilijk is om te worden gehuisvest (p. 121). Dublinterugkeerders worden behandeld als reguliere asielzoekers en profiteren daarom van dezelfde opvangvoorwaarden. In praktijk leven echter veel personen die zijn onderworpen aan de Dublinprocedure (aanvragers of terugkeerders) op straat of in kraakpanden vanwege het algemene gebrek aan plaatsen. Eind 2023 was slechts 29,6% van de asielzoekers vallend onder de Dublinprocedure gehuisvest (p. 122).
5.2.2.
Naar het oordeel van de rechtbank betekent het voorgaande niet dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Het genoemde percentage van 29,6% lijkt namelijk alleen te zien op vreemdelingen die in de Franse Dublinprocedure zitten, en niet op Dublinterugkeerders. Hoewel het AIDA-rapport op dit punt niet erg duidelijk is, kan dat wel uit de context worden afgeleid. Daartoe is van belang dat in het rapport een onderscheid wordt gemaakt tussen ‘asylum seekers who fall under the Dublin procedure in France’ en ‘Dublin returnees’ (p. 122). Over die laatste groep, waar eiser ook onder valt, staat vermeld dat zij na overdracht gelijk worden gesteld met normale asielzoekers, en dat zij dezelfde rechten genieten als asielzoekers die zich in de normale of versnelde asielprocedure bevinden. Het percentage van 29,6% ziet op ‘asylum seekers under Dublin procedure’. Deze bewoordingen zijn bijna identiek aan de eerder genoemde groep ‘asylum seekers who fall under the Dublin procedure in France’, wat dus een andere groep is dan ‘Dublin returnees’. De rechtbank wijst ter vergelijking op de eerder genoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 20 september 2024.
5.2.3.
Desalniettemin blijkt uit de hiervoor genoemde passages uit het AIDA-rapport dat veel asielzoekers in Frankrijk geen opvang krijgen, terwijl zij daar wel recht op hebben. Uit het rapport blijkt echter niet of zij zich hebben gewend tot de Franse autoriteiten om die opvang daadwerkelijk te verkrijgen. Al daarom heeft eiser met zijn verwijzing naar het AIDA-rapport geen concrete aanwijzing aannemelijk gemaakt dat alleenstaande, meerderjarige, niet-kwetsbare mannelijke asielzoekers, zoals eiser, bij overdracht aan Frankrijk een reëel risico lopen om langdurig verstoken te blijven van opvang en, daarmee, om buiten hun eigen wil en keuzes om terecht te komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, waardoor zij niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften.
5.3.
Ook in het specifieke geval van eiser is niet gebleken dat hij geen opvang zou kunnen krijgen bij zijn overdracht aan Frankrijk. De Franse autoriteiten hebben met het uitdrukkelijke claimakkoord gegarandeerd dat het asielverzoek van eiser in behandeling zal worden genomen. Daaruit mag ook worden afgeleid dat zij eiser zullen behandelen en opvangen in overeenstemming met de Procedurerichtlijn, de Kwalificatierichtlijn, en de Opvangrichtlijn. De verklaring van eiser dat hij bij zijn vorige verblijf in Frankrijk jarenlang geen opvang heeft gehad, maakt dit niet anders. Eiser heeft verklaard dat hij een groot deel van de tijd illegaal was in Frankrijk. Hij had toen dus ook geen recht op opvang. Voor zover eiser in een bepaalde periode tijdens zijn verblijf in Frankrijk wél recht had op opvang, is niet gebleken dat hij zich tot de Franse autoriteiten heeft gewend om die opvang te verkrijgen. Indien eiser zich na overdracht aan Frankrijk geconfronteerd zou zien met problemen bij het verkrijgen van opvang, geldt dat hij zich hierover dient te beklagen bij de Franse (desnoods hogere of rechterlijke) autoriteiten (vgl. het arrest van het EHRM van 2 december 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308, in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk). Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen bij voorbaat zinloos is.
5.4.
Gelet op het voorgaande kan verweerder van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Onevenredige hardheid
6. Eiser voert in beroep aan dat verweerder de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling zou moeten nemen. Daarbij wijst eiser erop dat een doelstelling van de Dublinverordening is dat het gezin bijeen moet worden gehouden.
Conclusie
7. Het voorgaande betekent dat verweerder van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan en dat hij niet op grond van artikel 3, tweede lid, derde alinea van de Dublinverordening verantwoordelijk is geworden voor de asielaanvraag, of aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje, van de Vreemdelingencirculaire 2000 aan zich te trekken.
8. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Groeneveld, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.