Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-20
ECLI:NL:RBDHA:2024:21968
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,551 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.27428
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. T. Sleeman),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).
Procesverloop
Bij besluit van 26 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen afgewezen.
Verweerder heeft het bestreden besluit ingetrokken op 16 december 2024.
Eiseres heeft het beroep ingetrokken voor zover dit ziet op het bestreden besluit en verzocht het beroep om te klappen naar een beroep niet-tijdig.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 19 december 2024 op zitting behandeld in Breda. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Op 16 december 2024 heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken. Daarbij heeft hij een proceskostenvergoeding aangeboden van € 875.
2. Bij bericht van 16 december 2024 heeft eiseres meegedeeld dat het beroep voor zover dit gericht is tegen het bestreden besluit wordt ingetrokken en het beroep wordt omgeklapt naar een beroep niet-tijdig. De rechtbank kan zich daarom uitsluitend uitlaten over het niet tijdig beslissen door verweerder op het door eiseres ingediende bezwaarschrift van 7 maart 2024 tegen het afwijzende besluit van 12 februari 2024 (het primaire besluit).
3. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een bezwaarschrift beslist, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Het bezwaarschrift is gericht tegen het besluit van 12 februari 2024. Eiseres hoeft verweerder niet in gebreke te stellen, omdat door intrekking van een eerder genomen besluit de situatie is ontstaan dat niet tijdig op het bezwaar is beslist. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.
4. Als verweerder niet op tijd heeft beslist, moet de rechtbank een termijn van twee weken opleggen. In bijzondere gevallen of als dat voor de naleving van andere wettelijke voorschriften nodig is, kan de rechtbank een andere termijn opleggen.
5. Bij brief van 18 december 2024 heeft verweerder erkend dat hij, door het intrekken van het bestreden besluit, niet tijdig heeft beslist op het bezwaarschrift en meegedeeld dat hij een termijn van zes weken wenst voor het nemen van een nieuwe beslissing. De rechtbank begrijpt uit het standpunt van verweerder dat hij zes weken nodig heeft om een oordeel te geven over de rechtmatigheid van het primaire besluit en het ingebrachte verzoek om schadevergoeding van € 250 voor de gemaakte kosten van het inburgeringsexamen.
6. De rechtbank acht een termijn van vier weken echter ruimschoots voldoende om een beslissing te nemen op het verzoek om schadevergoeding van eiseres en bepaalt daarom dat verweerder binnen een termijn van vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een beslissing op bezwaar bekend moet maken.
7. Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van € 100 aan eiseres verbeurt voor elke dag waarmee deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1). De voor beroepen wegens niet tijdig beslissen gebruikelijke lichte wegingsfactor wordt niet toegepast, omdat het beroep en de werkzaamheden gericht waren op de inhoud van het bestreden besluit. Ook moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht aan haar vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een
besluit te nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom verbeurt van € 100 per dag, voor elke
dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.750;
- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 187 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan op 20 december 2024 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. U ziet deze datum hierboven.
Dit is mogelijk op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelezen in samenhang met artikel 6:2, aanhef en onder b, van deze wet.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8849, en 19 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:535.
Dit volgt uit artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.