Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-25
ECLI:NL:RBDHA:2024:21546
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,188 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.12402
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. Y.D. Ancion).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar en het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 8 december 2022 afgewezen. Op 20 maart 2024 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar. Met het besluit van 21 mei 2024 heeft verweerder alsnog beslist op het bezwaarschrift van eiseres en is hij bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiseres, meneer B. Ogbamichael als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1970 en heeft de Eritrese nationaliteit. Zij stelt de partner te zijn van [referent] (referent), die in het bezit is van een asielvergunning. Referent heeft op 22 maart 2022 namens eiseres een aanvraag ingediend voor een mvv om bij referent te kunnen verblijven in het kader van nareis.
3. Eiseres heeft een beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. Verweerder heeft met het besluit van 21 mei 2024 alsnog beslist op het bezwaarschrift. Deze uitspraak ziet op het beroep tegen het niet tijdig beslissen en het alsnog genomen besluit. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiseres de familierechtelijke relatie met referent niet aannemelijk heeft gemaakt met documenten en omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een feitelijke gezinsband tussen haar en referent.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Ten eerste stelt verweerder ten onrechte dat eiseres de familierechtelijke band niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiseres voert aan dat referent weduwnaar is en volgens Eritrese regelgeving niet opnieuw kan trouwen voor de kerk. Verweerder werpt daarom ten onrechte tegen dat eiseres en referent geen huwelijksdocumenten hebben overgelegd. Verder voert eiseres aan dat de familierechtelijke relatie onderbouwd kan worden door de gegevens van hun zeven kinderen, waarvan drie kinderen in 2023 door gezinshereniging naar Nederland zijn gekomen. Ten tweede voert eiseres aan dat zij en referent een duurzame en exclusieve relatie hebben en dat sprake is van een feitelijke gezinsband. Referent heeft zijn andere relaties lang geleden beëindigd en hij heeft op dit moment alleen een relatie met eiseres. Dit heeft referent ook verklaard tijdens het aanmeldgehoor van zijn asielprocedure. De duurzame en exclusieve relatie blijkt ook uit het feit dat referent in juli 2022 twee maanden met eiseres in Addis Abeba heeft verbleven. Bovendien is de weigering om een mvv te verlenen in strijd met artikel 8 van het EVRM. Ten slotte voert eiseres aan dat zij ten onrechte niet zijn gehoord, vanwege het tijdsverloop tussen het primaire besluit en het bestreden besluit.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen
5. Voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep wordt het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat daarom beroep bij de rechtbank open. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft meegedeeld dat het in gebreke is.
5.1.
Eiseres heeft verweerder met de brief van 25 januari 2024 in gebreke gesteld. Verweerder heeft de ingebrekestelling op 26 januari 2024 ontvangen en eiseres heeft op 20 maart 2024 beroep ingesteld. Tussen partijen is niet in geschil dat op dat moment de beslistermijn was verstreken en de ingebrekestelling gelet daarop geldig was.
5.2.
Nu verweerder op de aanvraag van eiseres heeft beslist, is het belang van eiseres bij een beoordeling van het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op haar aanvraag echter komen te vervallen. Het beroep voor zover het gericht is tegen het niet-tijdig beslissen, is daarom niet-ontvankelijk.
5.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn door verweerder was overschreden en dat verweerder pas na deze overschrijding een besluit heeft genomen op de aanvraag van eiseres. Daarom ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres voor het beroep niet-tijdig beslissen.
Het beroep tegen het alsnog genomen besluit
6. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft ook betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit besluit geheel aan het beroep tegemoet komt. Eiseres kan zich niet verenigen met het alsnog genomen besluit, omdat verweerder niet volledig aan het beroep van eiseres is tegemoetgekomen. Het beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom van rechtswege ook gericht tegen het bestreden besluit.
Duurzame en exclusieve relatie
7. Zoals verweerder ook ter zitting heeft aangevoerd is niet in geschil dat eiseres niet met referent is gehuwd. De vraag die vervolgens voorligt is of eiseres en referent een voldoende duurzame en exclusieve relatie hebben die op één lijn te stellen is met een huwelijk.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres en referent niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij een exclusieve en duurzame relatie hebben. Daarbij is van belang dat referent geen stukken heeft overgelegd om zijn relatie met eiseres te onderbouwen. Verweerder mag dit echter wel verwachten omdat eiseres en referent stellen al bijna 35 jaar een relatie te hebben en zij een kleine 20 jaar (tot 2009) hebben samengewoond in Eritrea. Verweerder heeft in dit kader mogen meewegen dat referent nog met twee andere vrouwen relaties heeft gehad en meerdere kinderen heeft gekregen. Verweerder heeft mogen tegenwerpen dat referent niet duidelijk heeft kunnen maken in hoeverre de relaties die referent met deze vrouwen had verschilde van de relatie tussen referent en eiseres. Bovendien heeft referent niet met stukken aangetoond dat deze relaties ook daadwerkelijk zijn beëindigd.
7.2.
Referent heeft ook niet met documenten aangetoond dat hij met eiseres heeft samengewoond, een gemeenschappelijke huishouding heeft gevormd of dat sprake is geweest van enige vorm van onderlinge afhankelijkheid. Verweerder heeft in dit kader mogen betrekken dat referent eiseres op dit moment niet in haar levensonderhoud voorziet. Daarnaast verbleef referent sinds 2009 in Israël en heeft hij verklaard dat hij in deze periode slechts enkele keren per maand telefonisch contact had met eiseres. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat referent in deze periode geen feitelijke invulling aan de relatie heeft gegeven. De stelling dat referent in juli 2022 eiseres heeft bezocht in Addis Abeba, is daarvoor niet voldoende en niet onderbouwd met documenten. Gelet op het voorgaande is eveneens niet gebleken van een gezinsband.
Artikel 8 van het EVRM
8. Eiseres heeft betoogd dat verweerder had moeten doortoetsen in het kader van artikel 8 van het EVRM.
8.1.
Uit de Afdelingsuitspraak van 22 december 2023 volgt dat in een nareisaanvraag altijd een impliciet beroep op artikel 8 van het EVRM besloten ligt. Verweerder moet daarom in elke nareiszaak deugdelijk motiveren waarom hij geen gebruik maakt van de bevoegdheid, als bedoeld in artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), om te beoordelen of een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 van het EVRM of, als de betreffende vreemdeling in het buitenland verblijft, een mvv met het oog op die vergunning. Verweerder kan voor die motivering verwijzen naar het toepasselijke beleid als hij daarin heeft toegelicht waarom hij in bepaalde gevallen geen gebruik maakt van deze bevoegdheid.
8.2.
Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting erkend dat in het bestreden besluit ten onrechte niet is gemotiveerd waarom geen gebruik van is gemaakt de bevoegdheid als bedoeld in artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000. De rechtbank is van oordeel dat dit een motiveringsgebrek oplevert in het bestreden besluit. Het beroep is daarom gegrond.
Conclusie
10. Het beroep voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Eiseres krijgt hiervoor wel een vergoeding van haar proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 437.50. Het gewicht van de zaak is bepaald op licht omdat het bij dit beroep in zoverre uitsluitend gaat om het niet tijdig nemen van een besluit.
11. Het beroep voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit is gelet op wat onder 8.1. overwogen gegrond wegens strijd met het motiveringsbeginsel. Het bestreden besluit moet worden vernietigd. Gelet op wat onder 8.2. is overwogen ziet de rechtbank evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand te laten. Dit betekent dat het beroep weliswaar gegrond is, maar dat eiseres inhoudelijk geen gelijk krijgt.
12. Omdat het beroep gegrond is, heeft eiseres recht op een proceskostenvergoeding door verweerder. Deze vergoeding wordt, met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, vastgesteld op € 1750,-.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2187.50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. P.P. Schaap, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
Artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 6:12, eerste lid, van de Awb.
Artikel 6:20, derde lid, van de Awb.
Uitspraak van de Afdeling van 22 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4804.
IB 2024/7 Ambtshalve doortoetsen aan 8 EVRM bij nareis.
Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
1 punt voor het indienen van het beroepschrift en met een waarde per punt van € 875,- met een wegingsfactor ½.
1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting, met en waarde van € 875,- per punt en een wegingsfactor 1.