Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-06
ECLI:NL:RBDHA:2024:21531
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,350 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.33146 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[opposant]
, opposant
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: P.C.M. van Schijndel),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 30 september 2024 in het geding tussen
opposant
en
de Minister van Asiel en Migratie, geopposeerde
(gemachtigde: mr. L. Beket).
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 30 september 2024 waarin de rechtbank het beroep van opposant ongegrond heeft verklaard.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 5 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van opposant en de gemachtigde van geopposeerde.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 30 september 2024 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposant
4. Het beroep van opposant ging over het besluit van geopposeerde van 22 augustus 2024 om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Kroatië hiervoor verantwoordelijk is.
De uitspraak van 30 september 2024
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat voor Kroatië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
De verzetsgronden
6. Opposant verwijst voor zijn verzetsgronden in de eerste plaats naar zijn gronden van beroep en de voorlopige voorziening. Daarnaast verwijst opposant naar uitspraken van andere zittingsplaatsen die voorlopige voorzieningen hebben toegewezen omdat de hoogste bestuursrechter op 28 augustus 2024 een zaak op zitting behandelde over het interstatelijk vertrouwensbeginsel met betrekking tot Kroatië. Als het zo is dat binnen de rechtbank Den Haag discussie bestaat over de vraag of Kroatië zijn internationale verplichtingen tegenover Dublinclaimanten nakomt, dan valt niet in te zien waarom de rechtbank in deze zaak het beroep kennelijk ongegrond heeft kunnen verklaren. Ook de hoogste bestuursrechter zelf heeft meerdere voorlopige voorzieningen toegewezen in afwachting van uitspraak in de zaak die 28 augustus 2024 op zitting werd behandeld.
Beoordeling
7. De verwijzing van eiser naar de beroepsgronden slaagt niet. De rechtbank is in de uitspraak gemotiveerd ingegaan op eisers beroepsgronden. Dat andere zittingsplaatsen voorlopige voorzieningen hebben toegewezen in afwachting van de uitspraak van de hoogste bestuursrechter over het interstatelijk vertrouwensbeginsel met betrekking tot Kroatië, maakt niet dat de rechtbank in deze zaak het beroep niet kennelijk ongegrond heeft kunnen verklaren. Het is aan deze rechtbank om een eigen oordeel te vormen over het geschil dat hier aan de orde is en dat heeft de rechtbank gedaan. De rechtbank heeft bovendien inhoudelijk gemotiveerd waarom zij geen aanleiding zag om de zaak aan te houden. Zoals ook op zitting is besproken, heeft de hoogste bestuursrechter, in de zaak die op 28 augustus 2024 op zitting is behandeld, intussen overigens geoordeeld dat geopposeerde voor Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.
Conclusie
8. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 30 september 2024. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
Dictum
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 20 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:13329; de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 22 augustus 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:8050; de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 6 september 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:14338; de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 10 september 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:4730.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3449.
Uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037.