Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-06
ECLI:NL:RBDHA:2024:21467
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,246 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.4552
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[oppossante] , opposante V-nummer: [V nummer]
(gemachtigde: mr. A.W. Eikelboom), en
de Minister van Asiel en Migratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposante heeft ingediend, omdat verweerder volgens haar niet tijdig heeft beslist op haar opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van 10 oktober 2022 (hierna: de aanvraag).
In de uitspraak van 26 maart 2024 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak een nader gehoor af te nemen en binnen acht weken na het nader gehoor een besluit op de aanvraag bekend te maken, in ieder geval binnen zestien weken na de dag van verzending van de uitspraak.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Opposante heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.1 Hieronder legt de rechtbank dat uit.
2. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak op 26 maart 2024 gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht.
3. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank op 26 maart 2024 terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig
1. Op grond van artikel 8:55, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
was. Oordelend in verzet, kijkt de rechtbank (nog) niet of opposante gelijk heeft met haar beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank tot het oordeel komt dat de uitspraak van de rechtbank van 26 maart 2024 niet juist was.
4. Volgens opposante is de uitspraak van 26 maart 2024 niet juist, omdat de rechtbank bij het bepalen van de nadere beslistermijn geen rekening zou hebben gehouden met het feit dat opposante in het kader van haar opvolgende asielaanvraag al (nader) gehoord is op 16 oktober 2023. Een beslistermijn van 8+8 weken ligt daarom volgens opposante niet in de rede. Nu de aanleiding voor de verlengde termijn er niet blijkt te zijn, dient de termijn twee weken te zijn, aldus opposante.
5. Hoewel uit het dossier volgt dat opposante op 16 oktober 2023 is gehoord in het kader van haar opvolgende asielaanvraag, is de rechtbank van oordeel dat in de gegeven omstandigheden en gelet op de formulering van rechtsoverweging 5 en het dictum, derde streepje, van de uitspraak van 26 maart 2024, voldoende duidelijk blijkt dat, nu opposante reeds was gehoord op de datum van de uitspraak, verweerder binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moest maken. Uit het dictum van de uitspraak van 26 maart 2024 volgt ook dat de termijnen gelegen zijn ná de dag van verzending van de uitspraak van de rechtbank. Dit is ook in lijn met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 juli 20202, waarin in rechtsoverweging 8 is bepaald dat de termijnen gaan lopen vanaf de datum van de uitspraak van de rechtbank. Een beslistermijn van acht weken na de dag van verzending van de uitspraak is tevens in lijn met de beslistermijn die deze zittingsplaats oplegt in zaken waarin beroep wordt ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op een asielaanvraag en de vreemdeling al nader is gehoord. Deze termijn doet naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden tevens recht aan het belang om tot zorgvuldige besluitvorming te komen, zoals ook in artikel 31, tweede lid, van de Procedurerichtlijn tot uitdrukking komt.
6. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van 26 maart 2024 in stand blijft.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van L.M. Kalkman, griffier.
2 ECLI:NL:RVS:2020:1560.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
06 december 2024
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.