Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-13
ECLI:NL:RBDHA:2024:21437
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,810 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.36023 en NL24.2436024
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (hierna:eiser)
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 16 september 2024 niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Beoordeling
Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser verzoekt om hetgeen hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij in Zwitserland zeer slecht is behandeld. Zo heeft eiser geen opvang gekregen, heeft hij op het politiebureau moeten verblijven en zich gedurende zijn verblijf in Zwitserland zeer gediscrimineerd gevoeld. Voorts is in het voornemen opgenomen dat eiser op 18 juli 2024 niet is verschenen bij zijn gehoor. Echter, eiser heeft op 19 juli 2024 een aanmeldgehoor gehad. Eiser vreest bij overdracht naar Zwitserland dat hij zal worden overgedragen naar Algerije. Daarnaast heeft eiser ernstige psychische klachten waarvoor behandeling nodig is.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het besteden besluit te vernietigen.
6. Ten aanzien van het betoog van eiser dat in het voornemen is opgenomen dat eiser niet is verschenen op 18 juli 2024, maar dat hij op 19 juli 2024 wel een aanmeldgehoor heeft gehad, merkt de rechtbank op dat verweerder deze overweging in het bestreden besluit expliciet heeft losgelaten, zodat dit niet langer onderdeel uit kan maken van het geschil.
7. De rechtbank stelt voorop dat in Dublinzaken het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt. Dit houdt in dat verweerder er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat zij bij overdracht aan Zwitserland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest.
7.1
Na het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. De hoogste bestuursrechter heeft in de uitspraak van 4 november 2020 geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Zwitserland voor Dublinclaimanten van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dit uitgangspunt heeft de Afdeling recentelijk nog bevestigd. Verweerder is het met bestreden besluit voldoende ingegaan op de door eiser genoemde stellingen en heeft voldoende gemotiveerd dat niet blijkt dat Zwitserland zijn internationale verplichtingen niet na zou komen. In dit kader heeft eiser geen concrete stukken overgelegd waaruit zou blijken dat er sprake zou zijn van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen. In zoverre eiser meent dat hij in Zwitserland is gediscrimineerd of dat eiser in Zwitserland te maken krijgt met een slechte behandeling binnen de asielprocedure, is het aan eiser om zich te wenden tot de (hogere) Zwitserse autoriteiten dan wel de daarvoor geëigende instanties. Niet is gebleken dat dit voor eiser onmogelijk is of dat de Zwitserse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen. Hierbij is van belang dat Zwitserland met het claimakkoord heeft gegarandeerd dat het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling zal worden genomen met inachtneming van de Europese richtlijnen en verdragen.
7.2
In de gestelde psychische problemen van eiser heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om van overdracht aan Zwitserland af te zien. Nog los van de omstandigheid dat eiser de gestelde problemen niet heeft onderbouwd, mag verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgaan dat de medische zorg in Zwitserland vergelijkbaar is met die in Nederland. Niet is aannemelijk gemaakt dat eiser de door hem benodigde zorg in Zwitserland niet kan krijgen.
Conclusie
7. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens(voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van K. el Mahsini, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht maakt dit mogelijk.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2592.
Zie de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 9 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:8659 en van de Afdeling van 12 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2858.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.