Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-13
ECLI:NL:RBDHA:2024:21048
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,678 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.46381
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. S.L. Sarin),
en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).
Procesverloop
Bij besluit van 22 november 2024 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 3 december 2024 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 4 december 2024 op gereageerd. De rechtbank heeft op 9 december 2024 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
2. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Eiser voert aan dat het besluit onrechtmatig is omdat hij niet is gehoord in een taal die hij verstaat. Eiser wijst daarbij ook op het proces-verbaal aanvraag asiel. Verder wijst eiser er ook op dat hij naast Wolof ook Frans spreekt. Niet is gebleken dat verweerder heeft geprobeerd om hem in het Frans te horen. Verder voert eiser aan dat hij geen toegang heeft tot open lucht omdat eiser vanaf half vijf ’s middags wordt ingesloten. Daarnaast dienen mannen en vrouwen gescheiden te worden opgevangen. Eiser wijst er verder op dat het hier niet gaat om detentieomstandigheden waarover de bewaringsrechter zich niet mag uitlaten, maar over voorwaarden voor inbewaringstelling ingevolge artikel 10 van de Opvangrichtlijn.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
5. De rechtbank stelt met partijen vast dat er sprake is van schending van het verdedigingsbeginsel nu eiser voorafgaand aan het opleggen van de maatregel niet is gehoord. Uit de jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter blijkt echter dat een schending van het verdedigingsbeginsel niet zonder meer leidt tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring, maar dat er een belangenafweging dient te worden gemaakt. Verder blijkt uit de jurisprudentie dat deze belangenafweging in het voordeel van de vreemdeling uitvalt als de vreemdeling daadwerkelijk de mogelijkheid is ontnomen om zich zodanig te verweren dat dit had kunnen leiden tot een andere afloop van de procedure.
6. De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van een situatie waarin eiser door de schending van het verdedigingsbeginsel daadwerkelijk de mogelijkheid is ontnomen om zich zodanig te verweren dat de besluitvorming een andere afloop had kunnen hebben. Daarbij neemt de rechtbank, naast het gewicht dat toekomt aan het grensbewakingsbelang, in aanmerking dat eiser in beroep de mogelijkheid heeft gekregen te onderbouwen dat in zijn geval de inzet van een lichter middel dan zijn inbewaringstelling voor handen was en ook geschikt was. Ook op een eerder moment zoals in de zienswijze heeft eiser deze mogelijkheid gehad. Eiser heeft, ondanks deze mogelijkheden, geen redenen naar voren gebracht waarom in zijn geval de maatregel onevenredig bezwarend is. In zoverre heeft dit dus niet kunnen leiden tot een andere afloop van de procedure.
7. Ten aanzien van de opvang overweegt de rechtbank dat in het tweede lid, van artikel 10 van de Opvangrichtlijn is bepaald dat verzoekers in bewaring toegang hebben tot ruimten in de open lucht. In artikel 11, vijfde lid, van de Opvangrichtlijn is bepaald dat mannelijke en vrouwelijke verzoekers gescheiden worden gehuisvest. Anders dan eiser meent is de rechtbank van oordeel dat de wijze waarop is geregeld hoe eiser toegang krijgt tot de open lucht en de wijze waarop verzoekers worden gehuisvest behoort tot de feitelijke uitvoering van het detentieregime.
8. Volgens vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter kunnen de gronden van eiser die betrekking hebben op de feitelijke toepassing van het detentieregime niet aan de orde komen in deze procedure. Daarvoor staat een andere rechtsgang open. Daarnaast heeft de hoogste bestuursrechter zich sinds het arrest Landkreis Gifhorn tweemaal opnieuw uitgelaten over de vraag of de feitelijke toepassing van het detentieregime aan de orde kan komen in een procedure over de bewaringsmaatregel. In de uitspraken van 29 december 2022 en 21 augustus 2023 heeft de Afdeling in de uitspraak van het Hof geen aanleiding gezien om van de jurisprudentielijn af te wijken. Voorts heeft eiser weliswaar gesteld, maar niet onderbouwd, dat de klachtprocedure bij de Commissie van Toezicht met onvoldoende waarborgen is omkleed.
9. Nu ook anderszins niet is gebleken dat de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht, is het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Richtlijn 2013/33.
zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY7400.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:4063.
Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1710, onder 8.
Respectievelijk ECLI:NL:RVS:2022:4002 en ECLI:NL:RVS:2023:3184.