Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-12
ECLI:NL:RBDHA:2024:20916
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,587 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.48242
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], verzoeker
(gemachtigde: mr. A. Jankie),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: N.Mikolajczyk).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker over een dreigende plaatsing in de Vrijheidsbeperkende locatie (VBL).
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Wat is aan de beoordeling van het verzoek vooraf gegaan
2. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter op 3 december 2024 gevraagd om met spoed een voorlopige voorziening te treffen. In dat verzoek om een voorlopige voorziening staat dat het verzoek ertoe strekt dat verzoeker wordt toegestaan om tijdens zijn opvolgende aanvraag op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in het AZC Hoogeveen te blijven. Er is ook een aanvraag medisch regulier ingediend, in vervolg op de eerste aanvraag op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Het spoedeisende belang is er in gelegen dat er een VBL plaatsing dreigt en dit is slecht voor de gezondheid van verzoeker omdat hij meermaals per week naar de psychiater moet, hij hart/vaatziekten heeft en kampt met ernstige gevolgen van een rugoperatie. Verzoeker is erg afhankelijk van zorg ter plaatse en dus is verblijf in het AZC een noodzaak, aldus verzoeker.
3. De griffier van de rechtbank heeft, nadat telefonisch contact met de gemachtigde van verzoeker heeft plaatsgevonden, verzoeker in de gelegenheid gesteld de gronden van het verzoek in te dienen, aan te geven wat de bodemzaak is en wat het spoedeisende belang is.
4. Verzoeker heeft op 9 december 2024 een brief aan de voorzieningenrechter doen toekomen. In die brief staat, samengevat weergegeven en voor zover voor de beoordeling van dit verzoek van belang, dat het verzoekschrift zich richt tegen de stopzetting van verblijf en opvang met name gelet op de medische behandeling tijdens de in behandeling zijnde aanvragen. Verzoeker heeft immers in aansluiting op de beschikking 15 januari 2024 waarbij aan hem op grond van artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek is verleend van 1 november 2023 tot 1 november 2024, een aanvraag op grond van artikel 64 van de Vw 2000 ingediend en verblijfsvergunning regulier aangevraagd met als doel een medische behandeling. Het COA heeft via Vluchtelingenwerk in het AZC Hoogeveen laten weten dat de aanvragen geen rechtmatig verblijf in de opvanglocatie opleveren en dat daarom een spoedverzoek om een voorlopige voorziening moest worden aangevraagd, wat verzoeker op 3 december 2024 heeft gedaan. Ook ligt er volgens verzoeker vanuit het COA/IND een aanvraag VBL-plaatsing.
5. Desgevraagd heeft de minister op 10 december 2024 een reactie aan de voorzieningenrechter doen toekomen. De minister stelt zich primair op het standpunt dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard omdat niet is gebleken van enige connexiteit met een lopende bezwaar of een beroep procedure. In het verzoekschrift is ook vermeld dat er momenteel geen procedures voor verzoeker lopen. Uit de stukken die gemachtigde van verzoeker heeft meegestuurd blijkt volgens de minister niet dat verzoeker niet langer opvang zal verkrijgen en (dus) evenmin dat dit op korte termijn anders zal zijn. Uit de stukken volgt ook niet dat verzoeker op een vrijheidsbeperkende locatie zal worden geplaatst. Uit navraag bij het COA blijkt dat verzoeker (nog) geen brief heeft gekregen waaruit zou volgen dat zijn verstrekkingen beëindigd zullen gaan worden. Daarom is er volgens de minister momenteel geen spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening is.
6. Op 11 december 2024 heeft verzoeker een brief van het COA in het dossier geüpload. In die brief van 11 december 2024 staat dat op 1 november 2024 het verblijf op grond van artikel 64 van de Vw 2000 is beëindigd en dat op 19 december 2024 de RVA verstrekkingen worden beëindigd.
Beoordeling
7. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen. De voorzieningenrechter stelt vast, hoewel nadrukkelijk is verzocht om aan te geven wat de bodemzaak is, dat niet is gesteld of gebleken dat er een bezwaarschrift of beroepschrift is ingediend. Omdat er geen hoofdzaak is, volgt de voorzieningenrechter het standpunt van de minister dat thans niet is voldaan aan het connexiteitsvereiste. De door verzoeker ingediende aanvragen zijn geen hoofdzaken als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. Voor zover het verzoek van 3 december 2024 zich richt tegen de dreigende plaatsing in de VBL is de voorzieningenrechter van oordeel dat van een daadwerkelijk besluit tot plaatsing in een VBL (nog) niet is gebleken. Ook tegen de brief van het COA van 11 december 2024, nog daargelaten of sprake is van een besluit, is geen bezwaar of beroep ingediend. Het voorgaande betekent dat het verzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege het ontbreken van een aan dat verzoek connexe bezwaar -of beroepsprocedure.
Conclusie
8. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. Dat betekent dat het verzoek niet in behandeling kan worden genomen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.