Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-01-17
ECLI:NL:RBDHA:2024:2090
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,348 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.393
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V nummer]
(gemachtigde: mr. S. Petkovic), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. I. Vugs).
Inleiding
Op 3 januari 2024 heeft verweerder eiser in vreemdelingenbewaring (bewaring) gesteld, op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Dit beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Gharbaoui. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de bewaring van eiser rechtmatig is.
Beoordeling
1. Eiser stelt dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 1997.
De inspanningsverplichting
2. Eiser voert aan dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting. Eiser is op 28 november 2023 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 weken. Op diezelfde dag is het formulier M122 aan hem uitgereikt, waaruit volgt dat hij na de strafrechtelijke detentie zal worden overgedragen aan de vreemdelingendienst. Verweerder heeft vervolgens onvoldoende gedaan om de uitzetting voor te bereiden, aldus eiser.
3. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het dossier blijkt dat het vonnis van de politierechter op 13 december 2023 onherroepelijk is geworden. Vanaf die datum was de einddatum van de strafrechtelijke detentie bekend, en rustte op verweerder een
inspanningsverplichting.1 Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat verweerder op 1 december 2023 onderzoek heeft gedaan naar de identiteit en nationaliteit van eiser. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee voldoende invulling heeft gegeven aan zijn inspanningsverplichting. De beroepsgrond slaagt niet.
De gronden van de maatregel van bewaring
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht aan Duitsland als bedoeld in de Dublinverordening. Verder bestaat er een significant risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder moet dit motiveren aan de hand van de gronden in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen. Uit de gronden en de motivering daarvan volgt ook het significante risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
1. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:17.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
17 januari 2024
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.