Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-04
ECLI:NL:RBDHA:2024:20857
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,334 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.45670
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe),
en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: M. Smeulders).
Procesverloop
Bij besluit van 16 november 2024 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben toestemming verleend om de zaak buiten zitting af te doen. De gemachtigde van eiser heeft op 22 november 2024 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hierop op 28 november 2024 gereageerd. De rechtbank heeft op 29 november 2024 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Als de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond.
2. Een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw wordt opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. De gemachtigde van eiser voert aan dat er geen sprake is van een zorgvuldige behandeling van eisers asielaanvraag. Eiser heeft geen advocaat gekoppeld gekregen die zijn belangen behartigt bij zijn asielaanvraag. Omdat eiser geen rechtsbijstand heeft gekregen, zijn er bijzondere individuele omstandigheden aanwezig die de grensdetentie onrechtmatig maken. Eisers asielaanvraag leent zich er onder deze omstandigheden niet voor om binnen de grensprocedure te worden afgedaan.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
5. Een bewaringsrechter moet bij grensdetentie beoordelen of de procedure om een beslissing te nemen over het recht om het grondgebied te betreden met de nodige zorgvuldigheid en voortvarendheid wordt uitgevoerd. De bewaringsrechter is niet bevoegd om een inhoudelijk oordeel te geven over de rechtmatigheid van een besluit op een asielaanvraag. Over de zorgvuldigheid van de behandeling van eisers asielaanvraag kan de rechtbank daarom in deze procedure geen oordeel geven.
6. Volgens vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter hoeft verweerder bij toepassing van de grensprocedure niet al bij het opleggen van de maatregel een pré-toets te verrichten naar de inwilligbaarheid van het asielverzoek. Daarnaast moet verweerder een redelijke termijn worden gegeven om onderzoek te verrichten naar het asielverzoek van de vreemdeling en naar de vraag of dit verzoek zich leent voor afdoening in de grensprocedure. Daarbij wordt de beslissing hierover in beginsel genomen na het nader gehoor, omdat dan alle relevante feiten bekend zijn. Verweerder moet tijdens de behandeling van het asielverzoek in de grensprocedure voortdurend afwegen of het asielverzoek zich nog steeds leent voor afdoening in de grensprocedure. Of verweerder die beoordeling voldoende voortvarend heeft verricht, kan slechts terughoudend worden getoetst in deze procedure.
6.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat verweerder in deze zaak onvoldoende voortvarend handelt. Uit het dossier blijkt dat eiser op 19 november 2024 een aanmeldgehoor heeft gehad en op 26 november 2024 een nader gehoor. Verweerder heeft aangegeven dat op korte termijn een voornemen zal worden uitgebracht.
7. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. Eiser heeft aangegeven geen medische problemen te hebben en geen bezwaren te hebben tegen de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.
8. Nu ook anderszins niet gebleken is dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is, is het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
Dictum
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Zie artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw.
Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 13 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3794.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451 en 1452.
Zie paragraaf C1/2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.