Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-14
ECLI:NL:RBDHA:2024:20735
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
3,047 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.4636 en NL24.4637
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 14 augustus 2024 in de zaak tussen
[eiser/verzoeker], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. W. Epema).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
De verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 16 juli 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 januari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2. De rechtbank heeft alleen het beroep op 3 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de twee zonen van eiser, A. Cherradi als tolk en de gemachtigde van de verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is geboren op [geboortedag] 1967 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij heeft een aanvraag ingediend voor verblijf als verzorgende ouder bij zijn Nederlandse zonen. Zijn oudste zoon, [naam 1], was op het moment van de aanvraag al meerderjarig. Zijn jongste zoon, [naam 2], was op het moment van de aanvraag nog minderjarig.
4. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez en daarom geen rechtmatig verblijf heeft als gemeenschapsonderdaan. Verweerder heeft de aanvraag ook afgewezen, omdat er geen sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in het K.A. arrest. Bij het besluit van 13 januari 2022 is het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard. Bij het besluit van 1 december 2022 heeft verweerder dit besluit ingetrokken, maar het bezwaarschrift van eiser alsnog ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 6 juni 2023 heeft de rechtbank het beroep van eiser gegrond verklaard. Daarbij is het besluit van 1 december 2022 vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit moest nemen op het bezwaar.
5. Verweerder heeft vervolgens een nieuw besluit genomen op bezwaar. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser wederom ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez, omdat hij nog steeds niet heeft aangetoond dat hij daadwerkelijk zorg- en opvoedingstaken verricht en dat er een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat [naam 2] gedwongen zou zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd. Ook is nog steeds geen sprake van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in het K.A. arrest. Eiser heeft niet aangetoond dat sprake is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen hem en zijn inmiddels twee meerderjarige zonen dat ervan moet worden uitgegaan dat zij op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden. Tot slot heeft verweerder geconcludeerd dat het besluit om eiser geen verblijfsrecht toe te kennen niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM.
Wat vindt eiser in beroep?
6. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit van verweerder en voert – kort gezegd – het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte niet getoetst of eiser verblijfsrecht had op grond van het arrest Chavez-Vilchez toen [naam 2] nog minderjarig was. Hierbij heeft verweerder de omstandigheden van toen onvoldoende betrokken.[naam 2] heeft geen stappen gezet naar zelfstandigheid en uit zijn situatie blijkt dat hij nog afhankelijk is van zijn ouders. Verder heeft verweerder bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM onvoldoende gemotiveerd waarom die in het nadeel van eiser uitvalt. Er zijn namelijk allerlei omstandigheden die in de belangenafweging in het voordeel van eiser wegen. Eiser heeft een zelfstandig inkomen, hij heeft rechtmatig verblijf gehad bij zijn zonen, hij zal geen beroep doen op medische voorzieningen, hij heeft geen antecedenten en [naam 2] heeft nauwelijks stappen gezet naar zelfstandigheid.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Chavez-Vilchez
8. De rechtbank stelt voorop dat het in de eerste plaats aan eiser is om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat het weigeren van verblijfsrecht aan hem in Nederland tot het gevolg heeft dat [naam 2] de Europese Unie moet verlaten. Voor het aannemen van een daadwerkelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en [naam 2] is vereist dat eiser meer dan marginale zorg- en opvoedtaken verricht. Als eiser alleen zorg- en opvoedtaken met een marginaal karakter verricht of alleen omgang heeft met [naam 2], dan bestaat geen daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding en loopt [naam 2] door de weigering van verblijf aan eiser niet het risico feitelijk te worden gedwongen het grondgebied van de Europese Unie te verlaten.
8.1.
Op de zitting heeft eiser toegelicht dat verweerder de omstandigheden toen [naam 2] nog minderjarig was onvoldoende heeft betrokken bij de beoordeling of eiser verblijfsrecht had op grond van het arrest Chavez-Vilchez. Hierover overweegt de rechtbank als volgt.
8.2.
Voor zover eiser betoogt dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken heeft verricht, is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat eiser dat niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft hiertoe ten eerste kunnen overwegen dat eiser een lange periode in het buitenland heeft verbleven en toen geen meer dan marginale zorg- of opvoedtaken heeft kunnen uitvoeren. Verweerder heeft ten tweede kunnen overwegen dat eiser niet heeft aangetoond dat hij, nu het kind ouder is, meer dan marginale zorg- en opvoedtaken uitvoert. Uit de overgelegde bewijsstukken blijkt niet hoe vaak hij [naam 2] ziet en welke zorg- en opvoedtaken hij uitvoert. Verder heeft eiser geen objectieve verklaringen of bewijsstukken overgelegd waaruit de zorg- en opvoedtaken wel blijken. Hiermee heeft verweerder de omstandigheden toen [naam 2] nog minderjarig was voldoende betrokken. Eiser heeft ter zitting ook niet nader kunnen concretiseren welke zorg- en opvoedtaken hij uitvoerde toen [naam 2] nog minderjarig was.
9. Nu niet aannemelijk is gemaakt dat eiser daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken heeft verricht, heeft verweerder zich ook op het standpunt kunnen stellen dat tussen hem en [naam 2] geen zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat [naam 2] gedwongen zouden worden om samen met hem de Europese Unie te moeten verlaten wanneer aan hem geen verblijfsrecht wordt toegekend. Verweerder heeft de aanvraag op grond van het Chavez-Vilchez arrest dan ook niet ten onrechte afgewezen.
Belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM
10. Uit vaste jurisprudentie van het EHRM en van de hoogste bestuursrechter volgt dat bij aanvragen op grond van artikel 8 van het EVRM er een ‘fair balance’ moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en diens familie enerzijds, en het Nederlandse algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. De rechtbank beoordeelt zonder terughoudendheid of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in die belangenafweging heeft betrokken en beoordeelt de uitkomst van de gemaakte belangenafweging enigszins terughoudend.
10.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft kunnen concluderen dat het besluit om eiser geen verblijfsrecht toe te kennen, niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Zo heeft verweerder in het voordeel van eiser kunnen betrekken dat hij zelfstandige inkomsten heeft en dat hij verblijfsrecht heeft gehad voor verblijf bij zijn zonen. Daartegenover heeft verweerder in eisers nadeel kunnen wegen dat hij na toelating gebruik kan maken van alle voorzieningen die door de overheid worden betaald. Verder heeft verweerder in eisers nadeel kunnen wegen dat er geen toelatingsbeleid bestaat voor ouders en hun jongvolwassen kinderen, dat eiser het gezinsleven met zijn kinderen in de periode van 2011 tot en met 2020 op afstand heeft uitgeoefend, dat de kinderen hoofdzakelijk bij hun moeder in Nederland hebben gewoond en dat eisers eerdere verblijfsvergunning conform artikel 8 van het EVRM is ingetrokken, omdat geen invulling werd gegeven aan het gezinsleven met zijn kinderen. Ook heeft verweerder hierbij kunnen betrekken dat eiser geen recht heeft gekregen om zich in Nederland te vestigen en hij niet voldoet aan de voorwaarden van het arrest Chavez-Vilchez of K.A.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft.
12. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
13. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A. Drageljević, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie het arrest Chavez-Vilchez van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.
Zie artikel 8, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Zie het arrest K.A. van het HvJEU van 8 mei 2018, ECLI:EU:C:2018:308
ECLI:NL:RBDHA:2023:14295.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 24 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:645.
Voor deze laatste omstandigheid verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2321.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 16 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:790), van 17 augustus 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1821) en van 14 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:458).
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 28 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:974.
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).