Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-03
ECLI:NL:RBDHA:2024:20124
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,793 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.45901
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. T. Esen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. L. Hartog).
Procesverloop
Bij besluit van 13 november 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft desgevraagd ingestemd met een schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 25 november 2024 de gronden van het beroep ingediend. Op 26 november 2024 heeft verweerder een reactie op de gronden van het beroep ingediend. Op 2 december 2024 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 1999.
Voortraject
2. Eiser stelt zich op het standpunt dat uit de maatregel van bewaring blijkt dat er onderzoek is gedaan in de telefoon van eiser. Tijdens dit onderzoek is een kopie van het Marokkaanse paspoort van eiser gevonden en zijn de gegevens overgenomen. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling waaruit blijkt dat een nader regelgevend kader ontbreekt aan de hand waarvan ambtenaren hun beslissing om een mobiele telefoon te onderzoeken nemen. Er wordt onvoldoende bescherming geboden tegen willekeurig optreden. De beslissing wordt volledig overgelaten aan de beoordeling van individuele ambtenaren van de AVIM en de KMar. Volgens eiser is de informatie verkregen in het voortraject om die reden onrechtmatig en dient tot gevolg te hebben dat de bewaring dient te worden opgeheven.
3. De rechtbank overweegt als volgt. Het (mogelijk) zonder toestemming doorzoeken van de telefoon van eiser heeft plaatsgevonden in mei 2024 in het kader van zijn asielaanvraag van 10 mei 2024 en niet in het kader van de huidige maatregel van bewaring. Dit raakt dan ook niet aan de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring die nu ter toetsing voorligt. De beroepsgrond slaagt niet.
Maatregel van bewaring
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3j. aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen, en zijn aanvraag met toepassing van de grensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. In zijn verweerschrift heeft verweerder de zware grond 3j laten vallen, zodat deze niet langer aan de maatregel van bewaring ten grondslag ligt.
6. Eiser betwist de zware grond 3a en stelt zich op het standpunt dat hij vanuit Zwitserland naar Nederland is overgebracht op grond van de Dublinverordening. Het inreizen in Nederland kan eiser dan ook niet worden tegengeworpen. Voorts betwist eiser de zware grond 3b en stelt zich op het standpunt dat hij kort na zijn binnenkomst in Nederland asiel heeft aangevraagd. Hij heeft zich dan ook gemeld. Eiser meent ook dat hij dient te worden vrijgelaten, zodat hij zelf zijn documenten kan opvragen bij de bevoegde instanties. Voor het overige refereert eiser zich aan het oordeel van de rechtbank.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de zware gronden 3c, 3d en 3e terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Wat eiser tegen de zware gronden 3a en 3b aanvoert, doet niet af aan de feitelijke juistheid van deze gronden. Deze gronden zijn voldoende gemotiveerd en kunnen de maatregel van bewaring dragen. Verweerder heeft reeds op grond hiervan terecht aangenomen dat sprake is van een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van zijn vertrek ontwijkt of belemmert.
Ambtshalve toets
8. De rechtbank ziet in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens verder ook geen grond om, ambtshalve toetsend, tot het oordeel te komen dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 3 december 2024 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1387.
Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.
Koninklijke Marechaussee.
Artikel 5.1b, eerste en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, eerste en vierde lid, van het Vb.