Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-21
ECLI:NL:RBDHA:2024:20029
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,147 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/675172 / JE RK 24-1998
Datum uitspraak: 21 november 2024
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.W. Stoet te Den Haag.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 5 november 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 november 2024. Daarbij waren aanwezig:
[naam] , namens de gecertificeerde instelling;
de advocaat van de moeder.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij zijn grootvader.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 juni 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 29 december 2024.
3Het verzoek
3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De afgelopen periode heeft de gecertificeerde instelling meer inzicht gekregen in de opvoedsituatie van [minderjarige] . [minderjarige] woont sinds zijn vijfde bij zijn grootouders. De grootmoeder is recent overleden waardoor de grootvader de zorg voor [minderjarige] nu volledig op zich neemt. Vanwege het overlijden van de grootmoeder is hij echter minder emotioneel beschikbaar voor [minderjarige] . Er zijn ernstige zorgen over de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige] . De school heeft aangegeven dat [minderjarige] verbaal minder communiceert, vaak ziek is en regelmatig te laat komt. Ook mag [minderjarige] , vanwege de beschermende houding van de grootvader, niet deelnemen aan de gymles. [minderjarige] wordt onder gestimuleerd, speelt niet buiten en niet met leeftijdsgenootjes, neemt geen deel aan buitenschoolse activiteiten of sport. Dit is zorgelijk voor zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. [minderjarige] heeft een beperkt voedingspatroon, waardoor hij obstipatieklachten ervaart. Het lukt de grootvader niet om te voldoen aan de basis- en emotionele behoeften van [minderjarige] . De gecertificeerde instelling uit daarnaast zorgen over de opvoedstijl van de grootvader waarbij hij lijfstraffen toepast. Daarnaast is het zorgelijk dat [minderjarige] nagenoeg geen contact heeft met de moeder. De moeder heeft bij de gecertificeerde instelling aangegeven zich op dit moment niet in staat te voelen om voor [minderjarige] te zorgen. Vanwege haar persoonlijke problematiek wil ze de komende periode op zichzelf focussen en met traumaverwerking starten. De gecertificeerde instelling vindt plaatsing van [minderjarige] bij de moeder dan ook geen mogelijkheid. Afgelopen augustus is het jongere zusje van [minderjarige] al uit huis geplaatst. De gecertificeerde instelling heeft ter zitting aangegeven dat [minderjarige] in hetzelfde pleeggezin geplaatst kan worden. De gecertificeerde instelling acht dit een passende plek voor [minderjarige] .
4De standpunten
4.1.
De moeder heeft zich bij monde van hun advocaat gerefereerd aan het oordeel van de kinderrechter. De advocaat heeft ter zitting naar voren gebracht dat de moeder op dit moment niet in staat is om de zorg- en opvoedtaken te dragen. Ze staat als het ware in de overlevingsstand. De moeder onderschrijft de zorgen van de gecertificeerde instelling. Ze wil de komende periode gebruiken om aan zichzelf te werken.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek).
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Er zijn ernstige zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] . Dit komt onder andere doordat [minderjarige] onvoldoende gestimuleerd wordt. Hij neemt geen deel aan buitenschoolse activiteiten of sportactiviteiten en speelt niet buiten. Ook heeft [minderjarige] weinig contact met leeftijdsgenoten en bevindt hij zich vaak in gezelschap van zijn grootvader en zijn vrienden. Daarnaast lukt het [minderjarige] niet goed om zich te uiten. Op school wordt gezien dat hij steeds minder verbaal communiceert. Dit alles is zorgelijk voor zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Daarnaast zijn er zorgen over de opvoedcapaciteit van de grootvader. [minderjarige] heeft een beperkt voedingspatroon waarbij hij hoofdzakelijk noedels en brood eet. Als gevolg hiervan heeft [minderjarige] last van obstipatieklachten. De grootvader past daarnaast lijfstraffen toe in de opvoeding van [minderjarige] . De kinderrechter benadrukt dat dit absoluut niet door de beugel kan en zeer zorgelijk is. Ook is de grootvader sinds het overlijden van de grootmoeder minder emotioneel beschikbaar en zoekt hij troost bij [minderjarige] . Op dit moment heeft de moeder geen actieve rol in de opvoeding van [minderjarige] . Het lukt de moeder niet om aan de opvoedbehoeften van [minderjarige] te voldoen en om voldoende emotioneel beschikbaar voor hem te zijn. Het is belangrijk dat zij de komende periode de benodigde hulpverlening volgt voor haar problematiek. Daarnaast is het belangrijk dat aandacht is voor het contactherstel tussen [minderjarige] en de moeder.
5.3.
De grootvader en de moeder hebben momenteel te veel last van hun persoonlijke problematiek waardoor zij de zorg- en opvoedtaken niet naar behoren kunnen dragen. De kinderrechter acht de uithuisplaatsing van [minderjarige] dan ook noodzakelijk en in zijn belang. De kinderrechter vindt het belangrijk dat [minderjarige] in het pleeggezin van zijn zusje wordt geplaatst. Het is wenselijk dat broer en zus gezamenlijk opgroeien. De kinderrechter hoopt dat [minderjarige] , net als zijn zusje, in het pleeggezin met sprongen vooruit zal gaan in zijn ontwikkeling. De kinderrechter wijst de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing dan ook toe voor de duur van de ondertoezichtstelling.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 21 november 2024 tot 29 december 2024;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2024 door mr. J. Visser, kinderrechter, in aanwezigheid van I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 29 november 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.