Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-19
ECLI:NL:RBDHA:2024:19939
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,852 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 24-394
Zaaknummer: C/09/668401
Datum beschikking: 19 november 2024
Vaststellingsprocedure staatloosheid
Beschikking op het op 20 juni 2024 ingekomen verzoekschrift van:
[de man] en [de vrouw] ,
verzoekers, hierna te noemen respectievelijk ‘de man’ en ‘de vrouw’,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. A. Roozdar te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de Staat”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. M. van Nijnatten.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van 19 juli 2024 van de Staat;
- de brief van 18 augustus 2024 van verzoekers;
- de brief van 16 oktober 2024, met bijlage, van verzoekers.
Op 22 oktober 2024 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man bijgestaan door zijn advocaat en mevrouw mr. M. Nijnatten namens de Staat. De vrouw is wegens ziekte niet in persoon op de zitting verschenen.
Verzoek en het standpunt van de Staat
Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van de staatloosheid van verzoekers, kosten rechtens.
De Staat concludeerde in eerste instantie tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek. Met inachtneming van bovengenoemde brief van 16 oktober 2024, en de (telefonische) toelichting daarop van een medewerker van de gemeente Zaanstad en van de advocaat tijdens de zitting, heeft de Staat op de zitting geadviseerd om het verzoek ontvankelijk te verklaren.
Feiten
De man is geboren op [geboortedag 1] 1951 te [geboorteplaats 1] , Libanon. De vrouw is geboren [geboortedag 2] 1955 te [geboorteplaats 2] , Syrië.
Zowel de man als de vrouw zijn geboren uit Palestijnse ouders.
De vrouw verblijft sinds 15 mei 1955 als vluchteling in Syrië.
De man en de vrouw zijn gehuwd op [huwelijksdag] 1972.
Zowel de man als de vrouw beschikken over een reisdocument voor Palestijnse vluchtelingen, afgegeven door de Syrische Arabische republiek.
De man en de vrouw hebben een Nederlandse verblijfstitel (asiel bepaalde tijd), geldig tot 5 juni 2027.
Op 1 mei 2023 hebben verzoekers documenten ingeleverd bij de afdeling Burgerzaken van de gemeente Zaanstad, met het verzoek hun nationaliteit als Staatloos te registeren in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP).Bij brief van – naar de rechtbank begrijpt – 31 oktober 2023 heeft de gemeente Zaanstad aan verzoekers laten weten dat de gemeente, op basis van de door verzoekers aangeleverde documenten, hun nationaliteit niet kan wijzigen in Staatloos. De gemeente heeft verzoekers verwezen naar deze rechtbank voor de vaststellingsprocedure Staatloosheid.
Beoordeling
Juridisch kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid, hierna: Wvs).
Op basis van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op basis van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Uit artikel 5 Wvs volgt dat evidente staatloosheid tevens op niet-judiciële wijze kan worden vastgesteld, met toepassing van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur (Besluit evidente staatloosheid) te stellen voorwaarden.
Op grond van artikel 1, onderdeel e van het Besluit evidente staatloosheid is van evidente staatloosheid als bedoeld in artikel 5 Wvs onder meer sprake indien de gesteld staatloze louter de nationaliteit bezit van een staat die door Nederland niet wordt erkend.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoekers in Nederland wonen. Verder is niet in geschil dat verzoekers onmiddellijk belang hebben bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat zij in beginsel ontvankelijk zijn in hun verzoek.
De vraag is of het bepaalde in artikel 5 Wvs in samenhang met artikel 1 Besluit evidente staatloosheid in de weg staat aan de ontvankelijkheid van verzoekers.
Vaststaat dat verzoekers de gemeente Zaanstad hebben benaderd om als Staatloos te worden geregistreerd, met overlegging van dezelfde stukken als die in onderhavige procedure zijn ingediend. Op basis van de documenten die verzoekers aan de gemeente Zaanstad hebben overgelegd, heeft de gemeente de BRP-registratie van verzoekers niet kunnen wijzigen naar Staatloos.
De rechtbank is van oordeel dat verzoekers ontvankelijk zijn in onderhavige procedure, omdat zij de niet-judiciële weg naar de gemeente al hebben doorlopen.
De rechtbank gaat niet in op de vraag of verzoekers ook ontvankelijk zouden zijn ingeval zij de weg naar de gemeente nog niet zouden hebben doorlopen (uitleg van het woord ‘tevens’ in artikel 5 Wvs), nu deze situatie zich in het onderhavige geval niet voordoet.
Beoordeling
De Staat heeft over het onderhavige verzoek nog geen inhoudelijk advies uitgebracht. De rechtbank verzoekt de Staat alsnog hierover inhoudelijk advies uit te brengen, waarvoor de Staat een termijn van drie maanden krijgt. Vervolgens worden verzoekers in de gelegenheid gesteld binnen vier weken daarop te reageren.
Met inachtneming van het bovenstaande wordt de zaak pro forma aangehouden met vier maanden tot 15 maart 2025.
Dictum
De rechtbank:
houdt de behandeling van het verzoek tot vaststelling Staatloosheid aan tot 15 maart 2025 pro forma teneinde de Staat in de gelegenheid te stellen een inhoudelijk advies in te dienen en om verzoekers vervolgens in de gelegenheid te stellen daarop te reageren;
bepaalt dat de Staat uiterlijk vier weken voor de genoemde pro formadatum voornoemd advies indient bij de rechtbank, en daarvan tevens een exemplaar toestuurt aan (de advocaat van) verzoekers;
bepaalt dat verzoekers vervolgens binnen vier weken richting de rechtbank en de Staat schriftelijk reageren op het advies van de Staat.
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de vaststelling Staatloosheid aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, mr. A.M.M. Vingerling en mr. A.M. van der Vliet, rechters, bijgestaan door mr. M.G.J. Konings als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2024.