Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-15
ECLI:NL:RBDHA:2024:19499
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,813 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.40714
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
15 november 2024
in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.L. Saija),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 17 oktober 2024 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep van eiser, tezamen met de zaak NL24.40715, op
15 november 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
1.2.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de rechtbank hierna.
Totstandkoming van het besluit
2. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 18 juni 2024 bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op
1 juli 2024 aanvaard.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft eiser geen asielaanvraag ingediend in Kroatië?
5. Eiser stelt dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om een asielaanvraag in te dienen in Kroatië. Hij betwist niet dat hij in Kroatië vingerafdrukken heeft moeten afstaan. Voor zover eiser daarmee heeft willen betogen dat de minister er ten onrechte vanuit is gegaan dat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser, slaagt dit betoog niet. Zoals de minister met juistheid in het bestreden besluit heeft uiteengezet, mag hij op grond van het referentienummer waarmee eiser is geregistreerd in Kroatië, en gelet op artikel 24, derde lid, van Verordening 603/2013 er van uitgaan dat eiser een asielverzoek heeft ingediend. Eiser heeft geen juridische argumenten gegeven waarom de minister niet van deze Eurodac registratie heeft mogen uitgaan.
Mag de minister voor Kroatië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
6. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. Hiertoe voert eiser aan dat hij onmenselijk is behandeld en onder slechte omstandigheden is vastgehouden. De leefomstandigheden in Kroatië zijn in strijd met de artikelen 3 en 13 van het EVRM. Eiser is namelijk eerder onderworpen aan een pushback en heeft in detentie gezeten. Ook stelt eiser dat sprake is van pushbacks en geweldsincidenten door de Kroatische autoriteiten aan de grens. Eiser stelt dat hij is geschopt, geslagen en mishandeld. Hij moest zich van al zijn kleren ontdoen en is vernederd. Hij heeft hier ook psychische problemen aan overgehouden. Daarnaast is aan eiser medegedeeld dat hij geen toegang zou krijgen tot enige medische behandeling. Ter onderbouwing verwijst eiser naar een aantal uitspraken en een rapport van Border Violence Monitoring Netwerk van 8 mei 2023, waaruit volgt dat de politie in Kroatische eind maart 2023 over het gehele grondgebied van Kroatië pushbacks heeft uitgevoerd. Verder voert eiser aan dat er geen adequate opvang is in Kroatië. In de aanvullende gronden van 14 november 2024 heeft eiser aangevoerd dat hij zich niet kan verenigen met de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (Afdeling) van 9 oktober 2024. Hij stelt dat er in Kroatië geen onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende groepen asielzoekers en dat Dublin terugkeerders ook volgens de Afdeling niet zijn te onderscheiden van andere groepen asielzoekers. Er is daarom niet slechts een theoretische mogelijkheid dat Dublin terugkeerders het slachtoffer kunnen worden van pushbacks. Ook verwijst eiser naar het rapport van Centre for Peace Studies van
19 januari 2024.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van
9 oktober 2024 mag de minister bij de toepassing van de Dublinverordening voor Kroatië nog steeds uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ook is niet gebleken van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Kroatië waarvan de minister niet onkundig kon zijn en op grond waarvan hij de in die zaak betrokken vreemdeling niet had mogen overdragen aan Kroatië. Naar het oordeel van de rechtbank is de Afdeling tamelijk uitputtend ingegaan op de door eiser genoemde pushbacks en gebrek aan opvangvoorzieningen. De Afdeling heeft geoordeeld dat de theoretische mogelijkheid dat Dublinclaimanten slachtoffer kunnen worden van pushbacks niet kan worden gelijkgesteld met een reëel risico dat dit gebeurt. Voor wat betreft de opvangvoorzieningen is in de uitspraak van de Afdeling gewezen op de bezettingsgraad, de korte verblijfsduur van asielzoekers in opvangcentra en op de recente uitbreiding van de opvangcapaciteit. Deze rechtbank en zittingsplaats is eerder tot het zelfde oordeel gekomen als de Afdeling in haar uitspraak van 9 oktober 2024. In voorgenoemde uitspraken zijn de door eiser genoemde rapporten betrokken. Daarom bestaat in dit geval geen aanleiding voor een ander oordeel. De persoonlijke ervaringen van eiser bieden ook geen grond voor het oordeel dat sprake is van structurele tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Kroatië. De verklaringen van eiser over de door hem ervaren slechte behandeling door de Kroatische autoriteiten gaan namelijk over de wijze waarop hij bij eerste aankomst in Kroatië is behandeld en niet over de situatie dat eiser als Dublinclaimant aan Kroatië zal worden overgedragen. Over dit laatste kan eiser ook niet verklaren, nu hij niet eerder als Dublinclaimant is overgedragen aan Kroatië. Het is niet gebleken dat eiser als Dublinclaimant bij of na zijn overdracht aan Kroatië in een vergelijkbare situatie terecht zal komen als vreemdelingen die illegaal de buitengrens van Kroatië oversteken. Eiser wordt via een claimakkoord overgedragen, zodat het voor de autoriteiten in Kroatië duidelijk is dat eiser een Dublinclaimant is.
6.2.
Eiser heeft verder ook niet aannemelijk gemaakt dat hij als Dublinclaimant in Kroatië in detentie zal worden geplaatst. Daarbij heeft de minister terecht opgemerkt dat niet is gebleken dat de gestelde eerdere detentie van eiser in Kroatië onrechtmatig en in strijd met de internationale afspraken is geweest. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat door eiser niet is onderbouwd dat hij geen toegang heeft gekregen tot de medische zorg in Kroatië. De minister concludeert terecht dat het niet aannemelijk is dat eiser in Kroatië een reëel risico loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het EU Handvest. De minister stelt hierbij terecht dat, indien eiser zich na overdracht aan Kroatië, onverhoopt, geconfronteerd zou zien met problemen, hij zich hierover dient te beklagen bij de Kroatische autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in Kroatië voor Dublinclaimanten niet kan of zinloos is.
Artikel 17 van de Dublinverordening
7. Eiser betoogt dat in zijn geval sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die reden geven zijn asielverzoek onverplicht in behandeling te nemen. Hiertoe voert eiser aan dat er psychische problemen zijn ontstaan na zijn verblijf in Kroatië en dat er sprake is van epilepsie. Eiser heeft een medische verklaring overgelegd van een arts uit Iran. Daarbij stelt eiser dat hij geen toegang heeft gekregen tot enige behandeling in Kroatië. Daarom heeft hij daar een onmenselijke behandeling moeten ondergaan.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. De minister trekt een asielaanvraag onverplicht aan zich onder andere als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht aan de andere lidstaat van onevenredige hardheid getuigt. De algemene omstandigheden en persoonlijke ervaringen in Kroatië waarop eiser wijst zijn al betrokken bij de beoordeling of de minister nog mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft geen andere omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2024 door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Göbel, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Eiser wijst in dit verband op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 11 september 2023, zaaknummer NL23.11777, uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 6 september 2023, zaaknummers NL23.16433 en NL24.1643, uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 20 september 2023, zaaknummer NL23.1774 en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 6 december 2023, zaaknummer NL23.28101.
ECLI:NL:RVS:2024:4037.
ECLI:NL:RVS:2024:4037.
Rechtbank Den Haag, z.p. Arnhem, 8 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:16284.
Vergelijk de Afdelingsuitspraak van 29 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1645, en het arrest van het Hof van 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195, punt 64)
Dat staat in artikel 17 van de Dublinverordening, nader ingevuld in paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.