Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-28
ECLI:NL:RBDHA:2024:19496
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,532 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/5926
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 november 2024 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. J. Jansen),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: R.K. Singh).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag om een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) van eiser.
1.1.
Het college heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 10 februari 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 31 juli 2023 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 november 2024 op zitting behandeld. Eiser is met kennisgeving niet verschenen. Gemachtigde van het college is verschenen.
Beoordeling
2. Eiser voert in beroep aan dat de aanvraag ten onrechte is afgewezen omdat hij in bezwaar alsnog zijn woonadres bekend heeft gemaakt. Hij heeft erop vertrouwd dat dat voldoende was voor de beoordeling van de aanvraag. Hij verkeert al een lange tijd in bijstandsbehoeftige omstandigheden. Het college heeft in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel dit aspect niet meegewogen.
2.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Het volgende is van belang.
2.2.
Het bestreden besluit wordt getoetst voor de periode van 23 november 2022, de datum aanvraag, tot en met 10 februari 2023, de datum van het primaire afwijzingsbesluit (te beoordelen periode).
2.3.
Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. De bijstandverlenende instantie heeft een onderzoeksplicht. Dat brengt mee dat deze de inlichtingen van de aanvrager op juistheid en volledigheid moet controleren. Als de aanvrager niet aannemelijk maakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag.
2.4.
Bij brieven van 19 en 30 januari 2023 heeft het college eiser verzocht om de in de brieven genoemde informatie over te leggen. Er is onder andere gevraagd naar zijn woonsituatie en het adres van zijn hoofdverblijf. Ook is gevraagd naar de afschriften van alle betaal- en spaarrekeningen van 16 april 2022 tot en met 30 januari 2023, aangifte inkomstenbelasting 2021, voorlopige aanslag inkomstenbelasting van de Belastingdienst over 2021, 2022 en 2023, een verklaring en bewijsstukken over hoe eiser van 1 januari 2022 tot en met 30 januari 2023 heeft geleefd en hoe en wie de vaste kosten heeft betaald, de balans en winst- en verliesrekening over 2021, jaarrekening boekjaar 2021 en verkoop- en vrijwaringsbewijzen van acht voertuigen die op zijn naam hebben gestaan in 2021. Op 30 januari 2023 heeft eiser gereageerd. Hij heeft onder andere aangegeven dat hij bij een vriend verblijft in een woning op de [straatnaam]. Hij kan geen gegevens overleggen van zijn woonadres en de persoonsgegevens van de hoofdbewoner omdat hij daarvoor geen toestemming heeft gekregen van de hoofdbewoner.
De rechtbank stelt vast dat eiser daarmee geen duidelijkheid heeft gegeven over het adres van zijn hoofdverblijf. Het college heeft de aanvraag reeds daarom terecht afgewezen. Dat eiser op 22 februari 2023 in het kader van een nieuwe aanvraag om bijstand alsnog als woonadres de [adres] heeft opgegeven, is niet van belang nu dit dateert van na de te beoordelen periode. Daarnaast wijkt dat adres af van de bij onderhavige aanvraag opgegeven [straatnaam] .
2.5.
Van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is de rechtbank niet gebleken. Gelet op het toetsingskader bij een aanvraag en ook de te beoordelen periode bij een aanvraag, heeft het college geen aanleiding hoeven te zien om het door eiser in het kader van een nieuwe aanvraag opgegeven woonadres mee te nemen bij de beoordeling van de onderhavige aanvraag.
Conclusie
3. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.