Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-11
ECLI:NL:RBDHA:2024:18917
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,210 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.41562
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 november 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. E. Özel).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring van 30 september 2024, op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Dit beroep moet tevens worden gezien als een verzoek om schadevergoeding.
1.1.
De minister heeft de maatregel van bewaring op 26 oktober 2024 opgeheven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 5 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de minister aan eiser in bewaring mocht stellen. Zij doet dat onder meer aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de zogenoemde beroepsgronden.
3. Het beroep is ongegrond. Het opleggen van de maatregel van bewaring was rechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
4. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eisers schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregelen van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring, aan eisers schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
5. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, omdat eiser op 28 september 2024 strafrechtelijk is aangehouden, op 30 september 2024 in bewaring is gesteld, op 3 oktober 2024 een vertrekgesprek is gehouden en uiteindelijk op 26 oktober 2024 uitgezet. Volgens eiser was het gedurende het strafrechtelijke traject al duidelijk dat eiser zou moeten worden uitgezet en had de minister in deze fase daar ook al aan moeten werken. De minister heeft verder niet inzichtelijk gemaakt welke uitzettingshandelingen zijn verricht tussen 3 oktober 2024 en 26 oktober 2024. Gelet hierop is eiser van mening dat hij sneller uitgezet had moeten en kunnen worden.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan eiser stelt heeft de minister wel voldoende voortvarend gehandeld. Gelet op de relatief korte duur van eisers strafrechtelijke detentie heeft de minister zijn inspanningsverplichting niet geschonden door in deze periode geen handelingen te verrichten voor de overdracht van eiser. De minister heeft op zitting toegelicht dat op 3 oktober 2024 een vertrekgesprek is gehouden met eiser. Vervolgens heeft hij op 4 oktober 2024 een laissez-passer aangevraagd bij de Roemeense autoriteiten, waarop op 17 oktober 2024 is gerappelleerd. Deze laisser-passer is op 17 oktober 2024 door de Roemeense autoriteiten verleend, waarna op 17 oktober 2024 een vluchtaanvraag is gedaan. Op 21 oktober 2024 is een vluchtakkoord afgegeven, waarna de daadwerkelijke vlucht heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2024. Deze toedracht is door eiser niet bestreden en laat zien dat voldoende voortvarend is gehandeld.
Leidt ambtshalve toetsing van de maatregel tot bewaring tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de
minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor de maatregel van bewaring niet is voldaan.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking
Vergelijk Rb. Den Haag, zp. Utrecht, 9 november 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:15414, r.o. 5.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.