Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-16
ECLI:NL:RBDHA:2024:18880
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,415 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.38874
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. M.M. Altena-Staalenhoef),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: S. Faddach).
Procesverloop
Bij besluit van 3 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Bentaieb. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1983.
Gronden van de maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden 3b en 3c feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden zijn al voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.
Lichter middel
4. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Eiser heeft aangegeven dat hij wil meewerken aan vertrek naar Marokko. Daarnaast is hij traceerbaar voor de minister, omdat hij overdag in de daklozenopvang verblijft.
5. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit de gronden voor de maatregel en de motivering daarvan volgt dat er een risico is dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Eiser heeft al eerder, namelijk op 27 juni 2024, een meldplicht opgelegd gekregen maar zich nooit gemeld. Een meldplicht biedt dus onvoldoende garantie dat eiser onder het toezicht van de minister zal blijven. De beroepsgrond slaagt niet.
De geplande vlucht
6. Eiser voert verder aan dat de minister de voor eiser geplande vlucht van 18 oktober 2024 naar Cassablanca zou moeten verplaatsen naar een latere datum, omdat hij momenteel nog geen verblijfplaats heeft in Marokko. Zijn moeder is bezig met het realiseren van een aanbouw aan haar woning in Marokko voor eiser. Zodra dit afgerond is kan en wil hij terugkeren naar Marokko.
7. De rechtbank oordeelt dat er geen aanleiding bestaat om de vlucht te annuleren en de maatregel van bewaring daarmee langer te laten voortduren. Dat de aanbouw bij de woning van eisers moeder nog niet is afgerond, is daarvoor onvoldoende zwaarwegend. Dit maakt de maatregel van bewaring ook niet onrechtmatig. De minister heeft eisers vertrek voortvarend ter hand genomen door zo spoedig mogelijk een vlucht te plannen en is daartoe ook gehouden. Niet aannemelijk is geworden dat er geen tijdelijke andere (opvang-) mogelijkheden voor eiser in Marokko bestaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
8. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van
K.F.K. Hoogbruin, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 oktober 2024
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.