Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-14
ECLI:NL:RBDHA:2024:18854
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,498 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.42893
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. G. Cambier).
Procesverloop
Bij besluit van 31 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft ingestemd met een schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 2 en 6 november 2024 de gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft bij brief van 11 november 2024 een reactie op de gronden van beroep ingediend. Op 13 november 2024 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1994 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
De maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel gevorderd wordt door het belang van de openbare orde, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat op onderduiken.
Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat in ieder geval de zware gronden 3a en 3d en de lichte gronden 4c en 4d feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht, zodat deze aan de maatregel ten grondslag konden worden gelegd en de maatregel ook kunnen dragen.
Redelijk vermoeden van illegaal verblijf
4. Eiser voert aan dat geen sprake is geweest van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf.
5. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek van 31 oktober 2024 blijkt dat eiser is overgenomen en opgehouden, aansluitend op strafrechtelijke heenzending. Eiser is dan ook niet in het kader van het vreemdelingrechtelijke toezicht staande gehouden, zodat de rechtbank niet toekomt aan de beoordeling of sprake is geweest een redelijk vermoeden van illegaal verblijf.
Zicht op overdracht
6. Eiser voert daarnaast aan dat geen sprake is van zicht op verwijdering.
7. Eiser wordt hierin niet gevolgd. In de maatregel van bewaring is vermeld dat concrete aanwijzingen bestaan dat eiser onder de werkingssfeer van de Dublinverordening valt, gelet op een Eurodac-treffer. Ten tijde van de inbewaringstelling bestond dan ook een concreet aanknopingspunt voor een overdracht. Uit de stukken blijkt dat op 4 november 2024 een terugnameverzoek is verzonden aan de Duitse autoriteiten, die dit verzoek op 7 november 2024 hebben afgewezen. Op 11 november 2024 heeft verweerder een verzoek om een second opinion verzonden aan de Duitse autoriteiten. Bij brief van 11 november 2024 heeft verweerder kenbaar gemaakt nog in afwachting te zijn van het antwoord van de Duitse autoriteiten. Bij deze stand van zaken bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het zicht op overdracht ontbreekt.
Voortvarend handelen
8. Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Er is nog geen vertrekgesprek met eiser gevoerd. Er is sprake van overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen verwijdering had moeten plaatsvinden.
9. Ook hierin wordt eiser niet gevolgd. Uit de brief van verweerder van 11 november 2024 volgt dat op 4 november 2024 een vertrekgesprek met eiser is gevoerd en dat op diezelfde datum een terugnameverzoek naar Duitsland is verzonden. Op 7 november 2024 heeft Duitsland het terugnameverzoek afgewezen en op 11 november 2024 heeft verweerder een verzoek om een second opinion verzonden. Gelet hierop werkt verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend aan het realiseren van een overdracht van eiser.
Ambtshalve toets
10. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot aan de opheffing daarvan op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 14 november 2024 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.