Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-12
ECLI:NL:RBDHA:2024:1880
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,181 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.3165
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Aboulouafa).
Procesverloop
Bij besluit van 26 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich op 31 januari 2024 akkoord verklaard met schriftelijke afdoening.
Op 2 februari 2024 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 5 februari 2024 een reactie op de gronden ingediend.
De rechtbank heeft op 7 februari 2024 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1992 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
De maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring onvoldoende is gemotiveerd, nu daaruit niet kan worden opgemaakt wat eisers status in Duitsland is. Als Duitsland de asielaanvraag van eiser in behandeling heeft genomen, betekent dit dat eiser rechtmatig verblijf heeft in Duitsland en dat hij (kortstondig) kon reizen binnen de Europese Unie.
4. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Voor de maatregel van bewaring op grond van 59a, eerste lid, van de Vw is een concreet aanknopingspunt voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening vereist. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een dergelijk concreet aanknopingspunt, gelet op een Eurodac-treffer en een eerdere overdracht aan Duitsland op grond van de Dublinverordening op 10 januari 2024. Verweerder heeft niet nader hoeven motiveren wat eisers status in Duitsland is. Eiser wordt voorts niet gevolgd in zijn stelling dat hij rechtmatig rond kan reizen door de Europese Unie in het geval dat Duitsland de asielaanvraag van eiser in behandeling heeft genomen.
5. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht, zodat deze aan de maatregel ten grondslag konden worden gelegd en de maatregel ook kunnen dragen.
Ambtshalve toets
6. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.