Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-12
ECLI:NL:RBDHA:2024:1873
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,317 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.38781
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiseres,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. L. Hartog).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft daarbij vastgesteld dat de Bondsrepubliek Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Het besluit van de staatssecretaris (het bestreden besluit) dateert van 8 december 2023.
2. De rechtbank heeft het beroep op 2 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De uitkomst daarvan is dat het beroep ongegrond zal worden verklaard. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De Europese Unie heeft regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Bondsrepubliek Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Bondsrepubliek Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
5. Eiseres voert in beroep aan dat Nederland de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag aan zich had moeten trekken, omdat haar (Nederlandse) echtgenoot in Nederland verblijft. Verweerder heeft ten onrechte het huwelijk van eiseres, noch het gegeven dat haar echtgenoot eerder als vluchteling naar Nederland is gekomen, bij het terugnameverzoek of daarna gemeld aan de Duitse autoriteiten. Verweerder trekt bovendien ten onrechte de rechtsgeldigheid van het huwelijk van eiseres in twijfel.
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. Het is niet in geschil dat de gezinsbepalingen van de Dublinverordening, in het bijzonder artikel 9, hier niet van toepassing zijn omdat de tot Nederlander genaturaliseerde echtgenoot van eiseres niet (langer) tot Nederland is toegelaten als persoon die internationale bescherming geniet.
7. Verweerder heeft gelet hierop eveneens in redelijkheid kunnen oordelen dat het enkele huwelijk van eiseres met een Nederlander geen bijzondere individuele omstandigheid is waardoor overdracht leidt tot onevenredige hardheid. Aan de omstandigheid dat de echtgenoot van eiseres eerder zelf als vluchteling naar Nederland is gekomen, heeft verweerder geen zelfstandige betekenis hoeven toekennen. Daarbij heeft verweerder er terecht op gewezen dat de echtgenoot als Unieburger de mogelijkheid heeft zich bij eiseres in Duitsland te voegen. Verweerder heeft ook terecht opgemerkt dat de Dublinverordening niet is bedoeld als mogelijkheid om op reguliere gronden verblijf bij een gezinslid in Nederland te verkrijgen. Verweerder heeft dus geen aanleiding hoeven zien toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Verweerder was evenmin verplicht om met het oog op de in dat artikel opgenomen bevoegdheid melding te maken van het gestelde huwelijk van eiseres in het terugnameverzoek aan Duitsland.
8. Gelet op het voorgaande is de vraag of is gebleken van een rechtsgeldig huwelijk van eiseres niet van belang en behoeft het beroep op dit punt daarom geen verdere bespreking.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres kan worden overgedragen aan Duitsland. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.