Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-11
ECLI:NL:RBDHA:2024:18540
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Verzet
856 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.17297 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[opposant], opposant
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
En uitspraak in de beroepszaak tussen
Opposant
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Opposant heeft op 19 april 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag.
Bij uitspraak van 9 september 2024 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van opposant met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant heeft tegen deze uitspraak op 21 oktober 2024 verzet ingesteld.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:55, vierde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Beoordeling
1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van opposant niet-ontvankelijk verklaard. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het beroep prematuur was ingesteld en de termijn van veertien dagen na de ingebrekestelling nog niet was verstreken.
2. Artikel 8:54 van de Awb biedt de mogelijkheid tot vereenvoudigde afdoening als het eindoordeel in de zaak buiten redelijke twijfel staat. In verzet beoordeelt de rechtbank alleen of er redelijke twijfel mogelijk was over het oordeel in de aangevallen uitspraak. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank pas toe als het verzet gegrond is.
3. Opposant voert aan dat de rechtbank er ten onrechte van is uitgegaan dat de ingebrekestelling is ingediend op 5 april 2024. De ingebrekestelling is namelijk ingediend op 4 april 2024. In verzet is ter onderbouwing van dat standpunt een faxbevestiging overgelegd.
4. De rechtbank volgt eiser dat er ten onrechte van is uitgegaan dat de ingebrekestelling is ingediend op 5 april 2024 en dat dit 4 april 2024 had moeten zijn. De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding voor het oordeel dat niet tot een uitspraak met vereenvoudigde afdoening kon worden gekomen. De wettelijke beslistermijn is in het geval van eiser namelijk pas geëindigd op 5 april 2024. Verweerder had tot en met 4 april 2024 de gelegenheid om op de aanvraag van eiser te beslissen. Gelet hierop is de ingebrekestelling te vroeg ingediend. Daarmee is nog steeds niet voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Over dat oordeel is dan ook geen redelijke twijfel mogelijk.
5. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 11 november 2024 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.