Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-06
ECLI:NL:RBDHA:2024:18147
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,715 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.41338
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M.R. Verdoner),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. M. Weerman).
Procesverloop
1. De minister heeft op 26 juli 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het voortduren van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
1.3.
Eiser heeft hierop gereageerd.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 1 november 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 15 augustus 2024 (in de zaak NL24.30151) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 9 augustus 2024.
3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vreemdelingenwet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Standpunten eiser
4. Eiser betoogt - samengevat - dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn terugkeer en dat zicht op uitzetting binnen redelijke termijn ontbreekt. Eiser stelt dat het niet inzichtelijk is hoe zijn nationaliteit is bevestigd, maar dat dit al enige tijd geleden is gebeurd. Eiser voert aan dat er sprake is van onnodig uitstel nu al in april 2024 bekend was dat zijn identiteit niet kon worden bevestigd. De presentatie was eerst niet meer nodig, maar nu opeens wel, want anders had de consul al een laissez-passer (lp) afgegeven. Eiser stelt dat het indienen van een verkeerde foto bij een eerdere lp-aanvraag niet voor zijn rekening en risico mag komen. Ook stelt eiser dat er wellicht nu een presentatie gepland gaat worden begin november, maar dat deze datum ook weer zo uitgesteld kan worden. Eiser stelt dat de maatregel van bewaring aldus te lang heeft voortgeduurd. Tot slot voert eiser aan dat er alle aanleiding toe bestaat om de bewaring op te heffen of om hem een lichter middel op te leggen.
Oordeel rechtbank
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend handelt. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de minister, sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure, vier keer heeft gerappelleerd op de lp-aanvraag van eiser, laatstelijk op 22 oktober 2024. Daarnaast heeft de minister drie vertrekgesprekken met eiser gevoerd, laatstelijk op 29 oktober 2024. Verder heeft de minister de zaak van eiser op 4 oktober 2024 in persoon met het consulaat besproken. Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister toegelicht dat een presentatie voor eiser gepland staat op 12 november 2024 en dat de consul van Marokko de pasfoto van eiser te veel vond afwijken van de foto die bij de lp-aanvraag is meegestuurd en dat daarom deze presentatie is gepland. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko niet ontbreekt. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 november 2022 en 8 augustus 2023, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank overweegt dat de nationaliteit van eiser, anders dan de gemachtigde van eiser stelt, door de Marokkaanse autoriteiten is bevestigd op 10 september 2024. De identiteit van eiser is nog niet bevestigd door de Marokkaanse autoriteiten. Op 12 november 2024 staat een presentatie gepland bij de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank overweegt tot slot dat als eiser niet meewerkt aan de presentatie, hiermee niet is gezegd dat geen lp aan eiser zal worden verstrekt. De rechtbank overweegt dat er geen aanknopingspunten zijn dat Marokko in het algemeen weigert lp’s te verstrekken of dat voor eiser in het bijzonder geen lp zal worden afgegeven.
5.2.
De rechtbank is tot slot van oordeel dat de minister aan eiser terecht geen lichter middel heeft opgelegd. De rechtbank overweegt dat eiser niet meewerkt aan zijn uitzetting en dat uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. De rechtbank overweegt tot slot dat eiser verder ook geen redenen naar voren heeft gebracht waaruit de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel op te leggen.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:RVS:2022:3269 en ECLI:NL:RVS:2023:3033.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 23 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:674.