Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-01-03
ECLI:NL:RBDHA:2024:1800
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,019 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.34156
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S.N. Ali),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. J. van Dam).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser stelt van Turkse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1968. Hij heeft op 18 september 2021 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De staatssecretaris heeft met het bestreden besluit van 23 oktober 2023 deze aanvraag in de algemene procedure niet- ontvankelijk verklaard.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 13 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M.A. Budak als tolk en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de vraag of de staatssecretaris de asielaanvraag van eiser niet ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat Colombia voor hem als veilig derde land moet worden aangemerkt. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, omdat de staatssecretaris onvoldoende onderbouwd heeft waarom Colombia voor eiser als veilig derde land aangemerkt kan worden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij [beweging] is en dat hij daarom niet veilig is in Colombia. Eiser verbleef in Colombia en na de couppoging in 2016 wilde eiser niet meer terug naar Turkije. Hij probeerde zijn verblijf in Colombia te verlengen, maar de Turkse ambassade weigerde mee te werken en zei dat hij moest
terugkeren naar Turkije om zijn paspoort te laten verlengen. Hij heeft in 2017 asiel gevraagd in Colombia. Deze aanvraag is 2,5 jaar later ingewilligd en was geldig tot 6 februari 2023.
Toen eiser ging uitreizen heeft hij verzocht om zijn verblijfsvergunning in te trekken. Eiser vreest dat hij niet meer tot Colombia wordt toegelaten, dan wel dat hij door Colombia zal worden teruggestuurd naar Turkije.
Het bestreden besluit
5. Met het bestreden besluit heeft de staatssecretaris eisers asielaanvraag niet- ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat Colombia volgens de staatssecretaris voor eiser kan worden aangemerkt als veilig derde land en hij daarheen kan terugkeren. Daartoe heeft de staatssecretaris overwogen dat sprake is van een zodanige band met Colombia dat het redelijk is dat hij daarheen terugkeert. Volgens de staatssecretaris is het aannemelijk dat eiser daar toegang krijgt omdat hij daar vier jaar heeft gewoond, hij een asielvergunning heeft verkregen, er heeft kunnen werken en dat hij aldaar een sociaal netwerk heeft opgebouwd waarmee hij naar de moskee ging. Hoewel het door de staatssecretaris niet bestreden wordt dat Colombia in zijn algemeenheid niet als veilig derde land aangemerkt kan worden, wordt in het individuele geval van eiser wel aangenomen dat Colombia voor hem een veilig derde land is. De staatssecretaris heeft bij zijn beoordeling IB 2023/3 over Colombia betrokken, waaruit blijkt dat Colombia in zijn algemeenheid niet wordt aangemerkt als een veilig derde land. De staatssecretaris stelt zich echter op het standpunt dat er individuele omstandigheden zijn die aanleiding geven om in het individuele geval van eiser Colombia toch aan te merken als een veilig derde land. Aangezien eiser zijn asielstatus vrijwillig heeft ingetrokken, staat niets in de weg om opnieuw een nieuwe aanvraag te doen bij de Colombiaanse autoriteiten. Daarnaast blijkt uit IB 2023/3 dat, hoewel Colombia en Turkije diplomatieke en economische banden onderhouden, er geen bronnen zijn gevonden waaruit blijkt dat de Colombiaanse autoriteiten Turkse [beweging] hebben uitgezet naar Turkije. Omdat eiser eerder in aanmerking is gekomen voor een asielstatus in Colombia, komt de staatssecretaris tot de conclusie dat de in IB 2023/3 besproken problemen niet zien op de situatie van eiser. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de situatie als bedoeld in IB 2023/3 op hem van toepassing is.
6. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Hij stelt zich – kortgezegd – op het standpunt dat Colombia voor hem geen veilig derde land is. Op wat hij in dit verband heeft aangevoerd gaat de rechtbank hierna, voor zover van belang, in.
Juridisch kader
7. De staatssecretaris kan ingevolge artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw een aanvraag niet-ontvankelijk verklaren als een derde land voor die vreemdeling als veilig derde land kan worden beschouwd. Vast staat dat Colombia in zijn algemeenheid niet kan worden aangemerkt al een veilig derde land. In geschil is of Colombia voor eiser individueel wel als veilig derde land aan te merken is.
8. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) kan de staatssecretaris in een concreet geval beoordelen of een land voor de specifieke vreemdeling een veilig derde land is. Aan die tegenwerping moet gedegen onderzoek ten grondslag liggen. De staatssecretaris moet informatiebronnen over de algemene situatie in een bepaald land bij zijn oordeel betrekken. Het door hem verrichte onderzoek en de daarop gebaseerde beoordeling moet de staatssecretaris inzichtelijk maken
in het besluit. Uit dit onderzoek moet blijken dat een vreemdeling in het derde land overeenkomstig de beginselen, genoemd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) zal worden behandeld. Als de staatssecretaris aan de hand van zorgvuldig onderzoek deugdelijk heeft gemotiveerd dat een vreemdeling in het derde land volgens de hiervoor bedoelde beginselen wordt behandeld, kan hij dit alleen tegenwerpen als die vreemdeling een zodanige band heeft met dat land dat het voor die vreemdeling redelijk zou zijn daar naartoe te gaan. Bovendien kan de staatssecretaris alleen tegenwerpen dat een derde land voor een specifieke vreemdeling een veilig derde land is, als de staatssecretaris aannemelijk heeft gemaakt dat die vreemdeling wordt toegelaten tot dat land en dient hij daarvoor aan de hand van informatie uit algemene bronnen, of op basis van de verklaringen van die vreemdeling, redenen aan te dragen waarom toelating in beginsel mogelijk moet zijn. De Afdeling overweegt ter verduidelijking dat het vervolgens aan die vreemdeling is om met tegenbewijs te komen door voldoende twijfel te zaaien dat de door de staatssecretaris geschetste mogelijkheden om toegang te krijgen tot dat land in zijn geval niet aanwezig zijn. Daarnaast is het aan de vreemdeling om inspanningen te verrichten om daadwerkelijk te worden toegelaten tot het veilige derde land, tenzij niet van hem kan worden verlangd dat hij opnieuw probeert toegang tot en verblijf in dat land te krijgen.
9. Een inhoudelijke beoordeling van de situatie in een bepaald land is overbodig indien niet kan worden geoordeeld dat de band van een vreemdeling met dat land zodanig is dat het voor hem redelijk is daar naartoe te gaan of aannemelijk is dat die vreemdeling niet wordt toegelaten tot dat land. De staatssecretaris dient die vragen te beantwoorden voordat wordt toegekomen aan de vraag of die vreemdeling in dat land wordt behandeld overeenkomstig de vereisten waaraan een veilig derde land moet voldoen. 1
De band met Colombia
10. De rechtbank volgt het standpunt van eiser niet dat er geen sprake is van een band met Colombia. De staatssecretaris heeft in dit verband terecht verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2021. Daarin heeft de Afdeling geoordeeld dat eiser een band heeft met Colombia, gelet op het feit dat hij sinds 2016 legaal in Colombia heeft verbleven en door de Colombiaanse autoriteiten in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel. Ook heeft eiser in Colombia gewoond en gewerkt en daarmee is ook niet aannemelijk gemaakt dat eiser geen sociaal netwerk in Colombia heeft opgebouwd.2 Niet is gebleken dat deze omstandigheden sindsdien zijn gewijzigd. In dat wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen reden voor een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.
Toelating
11. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij niet zal worden toegelaten in Colombia. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris aannemelijk gemaakt dat toelating tot Colombia voor eiser in beginsel mogelijk is. Eiser heeft eerder toegang tot Colombia gekregen en hij heeft vrijwillig de intrekkingsprocedure van zijn asielstatus in gang gezet, waardoor bij Colombia geen andere reden bekend is dan een vrijwillige reden voor het intrekken van het asielverzoek.
Conclusie
14. De staatssecretaris heeft de aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om de staatssecretaris in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen, omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
14.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de staatssecretaris hiervoor 8 weken.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De staatssecretaris moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.750,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 23 oktober 2023;
draagt de staatssecretaris op binnen 8 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
03 januari 2024
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.