Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-01
ECLI:NL:RBDHA:2024:17989
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,150 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.41702
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.M. Altena-Staalenhoef),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 17 juni 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 31 oktober 2024.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1995 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 september 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 2 september 2024, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 2 september 2024.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt door alleen vertrekgesprekken te voeren en te rappelleren bij de Algerijnse autoriteiten. Van verweerder mag meer worden verwacht om tot een spoedige uitzetting te komen. Daarnaast voert eiser aan dat geen sprake is van zicht op uitzetting. Eiser zit al 5,5 maand in bewaring en er is nog altijd geen lp afgegeven of een toezegging gedaan dat een lp zal worden verstrekt.
5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Uit het dossier blijkt dat verweerder sinds 2 september 2024 twee vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd en drie keer heeft gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten. Anders dan eiser meent, werkt verweerder hiermee voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser.
6. De rechtbank ziet ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Algerije in het algemeen, of in het bijzonder voor eiser, is komen te ontbreken. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten in het geval van eiser de lp-aanvraag hebben afgewezen of geen lp zullen verstrekken. Verder is van belang dat eiser niet volledig en actief meewerkt aan zijn uitzetting. Zo blijkt uit het vertrekgesprek van 22 oktober 2024 dat eiser geen inspanningen heeft verricht om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen. Nu eiser niet volledig en actief meewerkt aan zijn uitzetting, kan ook daarom niet worden gesteld dat geen zicht op uitzetting bestaat.
7. Tot slot leidt ook ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 1 november 2024 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
ECLI:NL:RBDHA:2024:14576.
Laissez-passer.