Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-28
ECLI:NL:RBDHA:2024:17960
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,558 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.36193 en NL24.36194
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser/verzoeker], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 17 september 2024 niet in behandeling genomen omdat Kroatië ervoor verantwoordelijk is.
Beoordeling
Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Syrische nationaliteit te hebben en op [geboortedag] 1986 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser stelt dat uit de uitspraak van de rechtbank Amsterdam blijkt dat er in Kroatië sprake is van een ernstig tekort aan opvangplaatsen. Dit maakt dat verweerder zich niet zonder nadere motivering op het standpunt kan stellen dat hij ten aanzien van Kroatië kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarnaast stelt eiser dat de rechtbank Haarlem tot dezelfde conclusie is gekomen en dat verschillende zittingsplaatsen voorlopige voorzieningen hebben toegewezen in afwachting van de uitspraak van de hoogste bestuursrechter op het hoger beroep van verweerder tegen voormelde uitspraak van zittingsplaats Amsterdam van 17 juli 2024. Gelet hierop kan niet worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt hangt af van de gegevens in de zaak.
6. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om het voorgaande aannemelijk te maken. De Afdeling heeft in de uitspraak van 13 september 2023 geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Kroatië voor Dublinclaimanten van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dit uitgangspunt heeft de Afdeling recentelijk nog bevestigd in haar uitspraak op het hoger beroep van verweerder tegen voormelde uitspraak van zittingsplaats Amsterdam van 17 juli 2024. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding geeft om van het oordeel van de Afdeling van 13 september 2023 af te wijken. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de zittingsplaats Haarlem kan eiser gezien het recente oordeel van de Afdeling niet baten. Verder mag van eiser worden verwacht dat hij zich bij voorkomende problemen in de Kroatische opvangvoorzieningen of anderszins beklaagt bij de (hogere) Kroatische autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hem niet is of dat de Kroatische autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen, dan wel dat het inroepen van hulp bij voorbaat zinloos is. Verweerder mocht dan ook uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Conclusie
7. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van J.F. Elzenaar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Op grond van artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Uitspraak van 17 juli 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4354.
Uitspraak van 27 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:13748.
Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
ECLI:NL:RVS:2023:3411.
Zie de uitspraak van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.